Strafrecht overig
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
ECLI:NL:GHSHE:2018:5584 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 29 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/raadkamer/ecli-nl-ghshe-2018-5584
Zaakgegevens
Op 29 januari 2018 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 29 januari 2018
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 000747-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2018:5584
Samenvatting
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamer
Afdeling strafrecht
Bijzondere zaak, nummer: 000747-17
Parketnummer: 20-008382-05 (owv)
Uitspraakdatum : 29 januari 2018
Beslissing op verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het op 28 juli 2017 ter griffie van dit hof ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] , te [geboorteplaats] (Turkije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in de PI [PI] .
Het verzoekschrift strekt tot kwijtschelding dan wel vermindering van het – ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel – vastgestelde bedrag.
Het onderzoek van de zaak
Het verzoek is door het hof behandeld op 14 augustus 2017. Gehoord zijn de verzoeker, zijn advocaat mr. Hendriksen en de advocaat-generaal mr. H.M.P. Hillenaar. De zaak is aangehouden tot 16 oktober 2017 teneinde de advocaat-generaal en de advocaat in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de ingenomen standpunten. Voorafgaand aan de behandeling van het verzoekschrift op 16 oktober 2017 heeft de raadsvrouw van verzoeker, mr. M.C. Pedrotti, verzocht tot aanhouding van de behandeling van het verzoekschrift, omdat zij werd geconfronteerd met nieuwe stukken. Op 15 januari 2018 is het verzoekschrift vervolgens inhoudelijk behandeld. Gehoord zijn de verzoeker, mr. N. Hendriksen en de advocaat-generaal mr. G. van der Hofstede.
De beoordeling
Het verzoek is tijdig ingediend.
Uit de gedingstukken blijkt dat de verzoeker bij onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 12 juli 2016 onder parketnummer 20-008382-05 (OWV) – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting is opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.531.108,00. Het beslag van in totaal € 73.738,69 is aangewend voor de ontnemingsmaatregel. Het restantbedrag van de ontnemingsvordering bedraagt derhalve € 1.457,369,31.
Thans wordt verzocht het bedrag ter hoogte van € 1.457,369,31 kwijt te schelden dan wel te verminderen.
De verzoeker stelt dat hij niet in staat is om de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen en het ook niet is te verwachten dat hij hieraan in de toekomst zal kunnen voldoen. Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – onder meer aangevoerd dat er reeds een openbare verkoop van alle goederen van de verzoeker heeft plaatsgehad en dat betalingsvoorstellen van respectievelijk € 50 en € 200 per maand door het CJIB niet zijn geaccepteerd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van het ingevolge de ontnemingsmaatregel te betalen bedrag. Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – onder andere aangevoerd dat het verzoekschrift prematuur is en er aanwijzingen zijn dat de verzoeker over vermogen dan wel onroerend goed in Turkije beschikt.
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting van de raadkamer is het hof van oordeel dat het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering prematuur is en mede gelet op de leeftijd van de verzoeker thans niet aannemelijk is geworden dat de draagkracht van de verzoeker onvoldoende is en ook in de toekomst onvoldoende zal zijn om aan de hem opgelegde betalingsverplichting geheel te voldoen zodat het CJIB langere tijd in de gelegenheid moet worden gesteld om het verschuldigde bedrag bij de verzoeker te innen.
Het hof wijst het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering ex artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering derhalve af.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst het verzoek af.
Aldus beslist door mr. M.E.F.H. van Erve, voorzitter,
mr. A.J.T.M. Franken- van Zinnicq Bergmann en mr. J.P.F. Rijken, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van dit gerechtshof van 29 januari 2018.
Mr. Franken- van Zinnicq Bergmann en mr. Rijken zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.