Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van kind, art. 1:204 lid 3 BW. Samenhang…
Hoge Raad, 27 september 2013
ECLI:NL:HR:2013:785 · Hoge Raad · 27 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2013-785
Zaakgegevens
Op 27 september 2013 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 september 2013
- Datum publicatie
- 27 september 2013
- Zaaknummer
- 12/05543
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. S. Kousedghi
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:785
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van kind, art. 1:204 lid 3 BW. Samenhang met 12/05541.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:3533Uitspraak · 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:86Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 juni 2013
ECLI:NL:PHR:2013:44Hoge Raad · 27 september 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:785
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
27 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05543
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [de moeder],
2. [de vrouw],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats], doch feitelijk verblijvende in het Verenigd Koninkrijk,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoeksters zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vrouw en verweerder als de man.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak F1 RK 10-2209 van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2011;
b. de beschikkingen in de zaak 200.088.959/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 januari 2012 en 5 september 2012.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 5 september 2012 hebben de moeder en de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De advocaat van de moeder en de vrouw heeft bij brief van 9 juli 2013 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op 27 september 2013.