Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Was de bank bevoegd tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale…
Hoge Raad, 12 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:CA0264 · Hoge Raad · 12 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2013-ca0264
Zaakgegevens
Op 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 juli 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/01905
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.H.M. Meijroos
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA0264
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Was de bank bevoegd tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale beslaglegging door schuldeisers? Uitleg algemene voorwaarden bank. Lossingsrecht. Verkoop onder marktwaarde? Art. 3:268, 3:269 BW. Art. 522 Rv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA0264Hoge Raad · 12 juli 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:CA0264
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/01905
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
1. RABO HYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. DE COÖPERATIEVE RABOBANK VIJFHEERENLANDEN U.A.,
gevestigd te Vianen,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de banken.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
-
de vonnissen in de zaak 84889/HA ZA 10-2050 van de rechtbank Dordrecht van 10 maart 2010 en 4 augustus 2010;
-
het arrest in de zaak 200.078.410/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 december 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de banken is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping met toepassing vanart. 81 lid 1 RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 17 mei 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de banken begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheerM.A. Loth op 12 juli 2013.