Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Koopovereenkomst. Conformiteit geleverde motoren voor race-auto’s.
Hoge Raad, 9 september 2016
ECLI:NL:HR:2016:2050 · Hoge Raad · 9 september 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2016-2050
Zaakgegevens
Op 9 september 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2016
- Datum publicatie
- 9 september 2016
- Zaaknummer
- 15/02222
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.H.M van Swaaij, mr. M.E. Bruning
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2050
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Koopovereenkomst. Conformiteit geleverde motoren voor race-auto’s.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:5084Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 april 2016
ECLI:NL:PHR:2016:878Hoge Raad · 9 september 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:2050
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
9 september 2016
Eerste Kamer
15/02222
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[verweerder], handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 108950/HA ZA 09-300 van de rechtbank Groningen van 1 juli 2009, 24 november 2010 en 21 september 2011;
b. de arresten in de zaak 200.099.988/01 van het gerechtshof Leeuwarden van 21 februari 2012 en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2013, 24 juni 2014 en 20 januari 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 9 juli 2013, 24 juni 2014 en 20 januari 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 mei 2016 op die conclusie gereageerd. Ter rolle van 8 juli 2016 is verstaan dat de procedure met ingang van 30 april 2016 van rechtswege is geschorst vanwege het verlies van de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad van de advocaat van [verweerder]. Ter rolle van 12 augustus 2016 heeft mr. Bruning zich voor [verweerder] gesteld en is de procedure hervat.
Bij schrijven van 12 augustus 2016 heeft de advocaat van [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de door hem op 6 mei 2016 ingediende reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal vanwege de schorsing moet worden aangemerkt als een nietige rechtshandeling. Hij heeft daarbij een nieuwe reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal gevoegd.
Voor een geslaagd beroep op nietigheid van een proceshandeling die is verricht nadat een schorsing als de onderhavige is ingetreden, is vereist dat degene die dat beroep doet, gemotiveerd stelt dat hij benadeeld is door het feit dat de procedure niet is stilgelegd en dat hij aldus is getroffen in het belang dat art. 226 Rv beoogt te beschermen (HR 11 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, NJ 2012/514). Dat daarvan aan de zijde van [eiser] sprake is, is gesteld noch gebleken. De reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal van 6 mei 2016 is derhalve niet nietig en er bestond geen grond om op 12 augustus 2016 opnieuw zodanige reactie in te dienen. Deze laatste wordt dan ook buiten beschouwing gelaten.
3 Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.652,34, aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 september 2016.