Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Schadeloosstelling. Eliminatiebeginsel (art. 40c Ow). Waardevermindering…
Hoge Raad, 22 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:720 · Hoge Raad · 22 april 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2016-720
Zaakgegevens
Op 22 april 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2016
- Datum publicatie
- 22 april 2016
- Zaaknummer
- 15/00658
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.P. van den Berg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:720
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Schadeloosstelling. Eliminatiebeginsel (art. 40c Ow). Waardevermindering overblijvende.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 februari 2016
ECLI:NL:PHR:2016:52Hoge Raad · 22 april 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:720
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
22 april 2016
Eerste Kamer
15/00658
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
mr. Jan Peter VAN DEN BERG, in zijn hoedanigheid van derde in de zin van art. 20 Ow voor de erven van [betrokkene 1],
kantoorhoudende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg,
t e g e n
de PROVINCIE ZUID-HOLLAND,
zetelende te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als mr. Van den Berg q.q. en de Provincie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/442590/HA ZA 13-523 van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013 en 3 december 2014.
De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank van 3 december 2014 heeft mr. Van den Berg q.q. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor mr. Van den Berg q.q. mede door mr. R.W. Keus.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot verwerping.
3 Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Van den Berg q.q. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels, als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 april 2016.