Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Strafrecht. Schadevergoeding na vrijspraak van verdachte, die…
Hoge Raad, 29 juni 2018
ECLI:NL:HR:2018:1025 · Hoge Raad · 29 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2018-1025
Zaakgegevens
Op 29 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 juni 2018
- Datum publicatie
- 27 juni 2018
- Zaaknummer
- 17/01231
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W. Alt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:1025
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Strafrecht. Schadevergoeding na vrijspraak van verdachte, die vergoeding ex art. 89 Sv en art. 591a Sv heeft ontvangen; (volledige) schadevergoeding? Norm Begaclaim-arrest. Onschuld niet gebleken. Ten onrechte als verdachte aangemerkt? Gevolgen van het bestaan van drie uiteenlopende versies van de schriftelijke uitwerking van een telefoontap.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 22 november 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:4376Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 april 2018
ECLI:NL:PHR:2018:431Hoge Raad · 29 juni 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:1025
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
29 juni 2018
Eerste Kamer
17/01231
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. K. Teuben en mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als eisers en de Staat.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 242204/HA ZA 05-1469 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.065.022/03 van het gerechtshof Den haag van 21 april 2015;
c. het arrest in de zaak 200.065.022/04 van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van eisers heeft bij brief van 4 mei 2018 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 29 juni 2018.