Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Betrokkene verblijft met een machtiging tot voortgezet verblijf in een…

Hoge Raad, 29 juni 2018

Zaakgegevens

Op 29 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 2018
Datum publicatie
27 juni 2018
Zaaknummer
18/00282
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. C. Reijntjes-Wendenburg
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:1029
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Betrokkene verblijft met een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Is dwangbehandeling (kamerprogramma) wegens ‘intern gevaar’ (art. 38c lid 1 onder b Wet Bopz) rechtmatig? Reikwijdte van art. 3 en 5 EVRM; niet naleven van de wettelijke beslistermijn; afwijzing van schadevergoeding.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 april 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:703
  2. Hoge Raad · 29 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:1029

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

29 juni 2018

Eerste Kamer

18/00282

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,

t e g e n

GGZE 'DE WOENSELSE POORT',
gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en GGzE.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/325296/FA RK 17-4532 van de rechtbank Oost-Brabant van 19 oktober 2017.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

GGzE heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 29 juni 2018.