Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Schadestaatprocedure na ongeldige opzegging dealerovereenkomst voor auto's, gevolgd door…

Hoge Raad, 7 december 2018

Zaakgegevens

Op 7 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 december 2018
Datum publicatie
6 december 2018
Zaaknummer
17/04092
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. M.W. Scheltema
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2253
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Schadestaatprocedure na ongeldige opzegging dealerovereenkomst voor auto's, gevolgd door latere, rechtsgeldige opzegging. Vraag of schade door bedrijfsbeëindiging gevolg is van de eerste opzegging. Vraag of schade (verminderde omzet) is geleden in periode tussen eerste en tweede opzegging.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 mei 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:4341
  2. Conclusie A-G · 5 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1176
  3. Hoge Raad · 7 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2253

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

7 december 2018

Eerste Kamer

17/04092

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. D.A. van der Kooij en mr. A. Knigge.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/16/318162/ HA ZA 12-42 van de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2013 en 10 december 2014;

b. de arresten in de zaak 200.167.340 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 mei 2016 en 23 mei 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 23 mei 2017 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerster] mede door mr. R.R. Oudijk.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.575,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7 december 2018.