Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Regresvordering erfgenaam op mede-erfgenamen, art. 6:10 BW.
Hoge Raad, 6 april 2018
ECLI:NL:HR:2018:537 · Hoge Raad · 6 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2018-537
Zaakgegevens
Op 6 april 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 april 2018
- Datum publicatie
- 6 april 2018
- Zaaknummer
- 17/01393
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J. van Weerden
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:537
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Regresvordering erfgenaam op mede-erfgenamen, art. 6:10 BW.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 20 december 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:5468Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 februari 2018
ECLI:NL:PHR:2018:141Hoge Raad · 6 april 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:537
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
6 april 2018
Eerste Kamer
17/01393
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiseres 4],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. M.S. van der Keur en mr. R.L. Bakels.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 503325/HA ZA 11-2671 van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2012 en 8 augustus 2012;
b. de arresten in de zaak 200.117.290/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2013, 31 maart 2015, 16 februari 2016 en 20 december 2016.
Het arrest van het hof van 20 december 2016 is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 20 december 2016 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van22 februari 2018 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 april 2018.