Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Verhaal schuldeisers onmogelijk ten gevolge van doorstart bedrijf na…

Hoge Raad, 22 februari 2019

Zaakgegevens

Op 22 februari 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 februari 2019
Datum publicatie
21 februari 2019
Zaaknummer
18/01180
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. J de Jong van Lier, mr. F.E. Vermeulen
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:270
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Verhaal schuldeisers onmogelijk ten gevolge van doorstart bedrijf na onderhandse verkoop bedrijfsinventaris met medewerking van bank die de inventaris in pand had. Wetenschap bank dat koper een aan de schuldenaar geliëerd bedrijf was?

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:11164
  2. Conclusie A-G · 14 december 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1508
  3. Hoge Raad · 22 februari 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:270

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

22 februari 2019

Eerste Kamer

18/01180

TT/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1] , voor zich en in de hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] , in de hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres 3] , in de hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres 4] , in de hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. de Jong van Lier,

t e g e n

ABN AMRO N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en ABN AMRO.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/19/91732/HA ZA 12-78 van de rechtbank Assen van 4 juli 2012 en van de rechtbank Noord-Nederland van 4 december 2013;

b. de arresten in de zaak 200.142.993/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 april 2016 en 19 december 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ABN AMRO heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor ABN AMRO mede door mr. P.B. Fritschy.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 6.662,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 22 februari 2019.