Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Huurrecht. Heeft huurder in strijd met de huurovereenkomst de woning (mede) laten gebruiken…

Hoge Raad, 8 maart 2019

Zaakgegevens

Op 8 maart 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 maart 2019
Datum publicatie
6 maart 2019
Zaaknummer
17/05855
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. P.A Fruytier, mr. H.J.W. Alt
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:319
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Huurrecht. Heeft huurder in strijd met de huurovereenkomst de woning (mede) laten gebruiken door derden? Zijn de bij de huurder inwonende zoon, diens vriendin en hun kind aan te merken als personen die rechtstreeks behoren tot het gezin van de huurder als bedoeld in de huurovereenkomst?

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 19 september 2017

    ECLI:NL:GHAMS:2017:3797
  2. Conclusie A-G · 14 december 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1512
  3. Hoge Raad · 8 maart 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:319

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

8 maart 2019

Eerste Kamer

17/05855

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

INHUIZEN C.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Inhuizen en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak 4092522 CV EXPL 15-10443 van de kantonrechter te Amsterdam van 19 juni 2015 en 27 november 2015;

b. de arresten in de zaak 200.183.083/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 augustus 2016 en 19 september 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft Inhuizen beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding
en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Inhuizen mede door mr. R.R. Oudijk.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Inhuizen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 8 maart 2019.