Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Pandrecht. Onrechtmatige daad. Art. 3:83 lid 2 BW. Rechtsgeldig pandrecht bank op…

Hoge Raad, 8 maart 2019

Zaakgegevens

Op 8 maart 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 maart 2019
Datum publicatie
6 maart 2019
Zaaknummer
18/00154
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. M.E.M.G Peletier, mr. F.E. Vermeulen
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:321
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Pandrecht. Onrechtmatige daad. Art. 3:83 lid 2 BW. Rechtsgeldig pandrecht bank op vorderingen waarop beding van niet-overdraagbaarheis van toepassing is? Goederenrechtelijke of verbintenisrechtelijke werking? Betekenis daarvoor van boetebeding. HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 3 juni 2015

    ECLI:NL:RBOBR:2015:3337
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 oktober 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:4428

    Overig

  3. Conclusie A-G · 11 januari 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:60
  4. Hoge Raad · 8 maart 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:321

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

8 maart 2019

Eerste Kamer

18/00154

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Maarten Johan Willem VAN INGEN, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Astrea Groep B.V. en Ingenieursbureau Technipower B.V.,
kantoorhoudende te Eindhoven,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,

t e g e n

F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en de bank.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/01/284493/HA ZA 14-742 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2015 en 3 juni 2015;

b. het arrest in de zaak 200.176.279/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De bank heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding
en het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de bank mede door mr. R. Bloemink.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 6.662,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 8 maart 2019.