Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Doel van onteigening. Bijkomend aanbod. Termijn voor aanvaarding.
Hoge Raad, 7 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:208 · Hoge Raad · 7 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2020-208
Zaakgegevens
Op 7 februari 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2020
- Datum publicatie
- 6 februari 2020
- Zaaknummer
- 19/01447
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J.P van den Berg, M.W Scheltema
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:208
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Doel van onteigening. Bijkomend aanbod. Termijn voor aanvaarding.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 oktober 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1052Hoge Raad · 7 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:208
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/01447
Datum 7 februari 2020
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
1. DE PROVINCIE NOORD-HOLLAND,
zetelende te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie
hierna: de Provincie,
advocaat: M.W. Scheltema,
2. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
3. RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: Rabobank c.s.,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/16/459613/HLZA 18-16 van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2018 en 20 februari 2019.
[eiseres] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 20 februari 2019 beroep in cassatie ingesteld. De Provincie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. Tegen Rabobank c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor de Provincie toegelicht door haar advocaat en mede door S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Provincie heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Van Vught deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan en aan de zijde van Rabobank c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 7 februari 2020.