Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Nawerking voorafgaande machtiging? Art. 48…

Hoge Raad, 29 mei 2020

Zaakgegevens

Op 29 mei 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 mei 2020
Datum publicatie
28 mei 2020
Zaaknummer
20/00338
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
N.C. van Steijn
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:964
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Nawerking voorafgaande machtiging? Art. 48 lid 1, onder b, Wet Bopz.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 april 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:387
  2. Hoge Raad · 29 mei 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:964

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/00338

Datum 29 mei 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2019 met zaaknummers C/10/584905/FA RK 19-9350, C/10/583916/FA RK 19-8886 en C/10/583913/FA RK 19-8883.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 29 mei 2020.