Civiel recht overig

Art. 81 lid 1 RO. Bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:248 BW in verbinding met art. 2:11 BW). Devolutieve…

Hoge Raad, 25 november 2022

Zaakgegevens

Op 25 november 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 november 2022
Datum publicatie
24 november 2022
Zaaknummer
21/03965
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
D.Th.J van der Klei, B.I. Kraaipoel
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1736
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:248 BW in verbinding met art. 2:11 BW). Devolutieve werking hoger beroep. Verdeling stelplicht en bewijslast. Vaststellen feiten, passeren bewijsaanbod. Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, causaal verband met faillissement. Schadestaatprocedure, matiging.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 juni 2021

    ECLI:NL:GHARL:2021:6157
  2. Conclusie A-G · 9 september 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:803
  3. Hoge Raad · 25 november 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1736

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/03965

Datum 25 november 2022

ARREST

In de zaak van

1. [eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. POSTEA NUNC EST BEHEER B.V.,

gevestigd te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren,

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eiseressen],

advocaat: D.Th.J. van der Klei,

tegen

Jan Paul DAVIDS, handelend in hoedanigheid van curator in het faillissement van

[wegtransportbedrijf] B.V.,

kantoorhoudende te Almere,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de curator,

advocaat: B.I. Kraaipoel.

1 Procesverloop in cassatie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/16/405255/HL ZA 15-362 van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2016 en 25 april 2018;

b. de arresten in de zaak 200.244.225/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2019 en 22 juni 2021.

[eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof van 22 juni 2021 beroep in cassatie ingesteld.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 25 november 2022.