Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Heeft hof akte na na antwoordmemorie na enquête ten onrechte geweigerd?
Hoge Raad, 6 december 2024
ECLI:NL:HR:2024:1801 · Hoge Raad · 6 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-1801
Zaakgegevens
Op 6 december 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 december 2024
- Datum publicatie
- 5 december 2024
- Zaaknummer
- 23/04225
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- R.K van der Brugge, N.C. van Steijn
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1801
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Heeft hof akte na na antwoordmemorie na enquête ten onrechte geweigerd?
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 1 augustus 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1867Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 oktober 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1049Hoge Raad · 6 december 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1801
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04225
Datum 6 december 2024
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers],
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: N.C. van Steijn.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
a. het arrest in de zaak 18/05327 van de Hoge Raad van 17 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:726);
b. de rolbeslissing en de arresten in de zaak 200.288.876/01 van het gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2022, 9 mei 2023 (rolbeslissing) en 1 augustus 2023.
[eisers] hebben tegen de rolbeslissing en tegen het arrest van het hof van 1 augustus 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de rolbeslissing en het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die rolbeslissing en dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 december 2024.