Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht; rentederivaat. Schending zorgplicht, wanprestatie, onrechtmatige daad…
Hoge Raad, 6 december 2024
ECLI:NL:HR:2024:1806 · Hoge Raad · 6 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-1806
Zaakgegevens
Op 6 december 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 december 2024
- Datum publicatie
- 5 december 2024
- Zaaknummer
- 24/00114
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- P.J. Tanja
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1806
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht; rentederivaat. Schending zorgplicht, wanprestatie, onrechtmatige daad, nalaten informatieverstrekking over renteverwachting bank en bestaan negatieve waarde bij sluiten tweede swap. Advisering, gepersonaliseerde aanbevelingen. Nieuwe renteswap of herstructurering oude swap, aanvullen feitelijke grondslag, art. 24 Rv. Bevrijdende verjaring, korte termijn art. 3:310 BW.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 10 oktober 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:2623Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 oktober 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1052Hoge Raad · 6 december 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1806
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00114
Datum 6 december 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: P.J. Tanja,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ING,
advocaten: B.F.L.M. Schim en F.E. Vermeulen.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/675537 / HA ZA 19-1215 van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2020 en 3 februari 2021;
b. het arrest in de zaak 200.296.180/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ING heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiser] mede door M.W. Bakker en voor ING mede door K.W.G. Heesterbeek.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 december 2024.