Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Bestuurdersaansprakelijkheid. Afnemen van eieren terwijl bestuurder wist of redelijkerwijs…
Hoge Raad, 31 mei 2024
ECLI:NL:HR:2024:785 · Hoge Raad · 31 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-785
Zaakgegevens
Op 31 mei 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 mei 2024
- Datum publicatie
- 30 mei 2024
- Zaaknummer
- 23/02677
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J.H.M van Swaaij, M.B.A. Alkema
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:785
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Bestuurdersaansprakelijkheid. Afnemen van eieren terwijl bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat vennootschap vordering tot betaling van koopprijs niet kon voldoen en ook geen verhaal zou bieden. Maatstaf; peilmoment; duurovereenkomst.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 april 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:3051Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 april 2024
ECLI:NL:PHR:2024:371Hoge Raad · 31 mei 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:785
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02677
Datum 31 mei 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: M.B.A. Alkema.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/366875 / HA ZA 20-158 / 115 / 560 van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2020 en 24 februari 2021;
b. de arresten in de zaak 200.299.604 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2022 en 11 april 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 11 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.845,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 31 mei 2024.