Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Schadevergoedingsrecht. Schadestaatprocedure. Ontwikkelingsovereenkomst monumentaal pand…
Hoge Raad, 17 april 2026
ECLI:NL:HR:2026:665 · Hoge Raad · 17 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-665
Zaakgegevens
Op 17 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 april 2026
- Datum publicatie
- 16 april 2026
- Zaaknummer
- 25/01282
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J den Hoed, D. Rijpma
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:665
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Schadevergoedingsrecht. Schadestaatprocedure. Ontwikkelingsovereenkomst monumentaal pand; vermogensvergelijking situatie met en zonder ontbinding overeenkomst.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 21 december 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:11284Gerechtshof Den Haag · 7 januari 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:670Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 februari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:192Hoge Raad · 17 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:665
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01282
Datum 17 april 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. den Hoed,
tegen
1. ROTTERDAMSE GROND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. DE VIJVERBORGH BEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: RG c.s.,
advocaat: D. Rijpma.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/633279 /HA ZA 22-134 van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2022;
b. het arrest in de zaak 200.325.186/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 januari 2025.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
RG c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RG c.s. begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.B. ter Heide, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 april 2026.