Civiel recht overig

Cassatieprocesrecht. Art. 397 lid 1 Rv; art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet…

Hoge Raad, 21 november 2025

Zaakgegevens

Op 21 november 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 november 2025
Datum publicatie
20 november 2025
Zaaknummer
25/02805
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1725
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Cassatieprocesrecht. Art. 397 lid 1 Rv; art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet ingediend langs elektronische weg; geen advocaat bij Hoge Raad aangewezen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 17 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3505
  2. Conclusie A-G · 3 oktober 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1061
  3. Hoge Raad · 21 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1725

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02805

Datum 21 november 2025

BESCHIKKING

In de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: verzoekster,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats].

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/15/336672 / FA RK 23-651 van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024;

b. de beschikking in de zaak 200.342.599/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024.

Verzoekster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid

Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 397 lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook is de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 397 lid 1 en 426a lid 1 Rv opnieuw in te dienen. Verzoekster heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in haar beroep niet ontvankelijk is. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat zij niet erin is geslaagd een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen, maakt dit niet anders.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 november 2025.

Vgl. HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605 en HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1540.