Burgerlijk procesrecht

Cassatieprocesrecht. Procesinleiding niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv)…

Zaakgegevens

Op 10 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juli 2026
Datum publicatie
8 juli 2026
Zaaknummer
26/02043
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:722
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Cassatieprocesrecht. Procesinleiding niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv). Niet-ontvankelijkheid.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 19 mei 2026

    ECLI:NL:GHARL:2026:3857
  2. Conclusie A-G · 10 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:722

  3. Hoge Raad · 18 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1496

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/02043

Zitting 10 juli 2026

CONCLUSIE

M.H. Wissink

In de zaak

1. [verzoekster 1]

2. Ogim B.V.

tegen

Samenbinding B.V.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij vonnis van 17 februari 2026, zaaknummer C/16/26/79 F, heeft de rechtbank Midden-Nederland, op verzoek van Samenbinding B.V., Ogim B.V. in staat van faillissement verklaard.

1.2

Ogim B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 19 mei 2026, zaaknummer 200.365.422, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.3

Op 27 mei 2026 heeft [verzoekster 1] namens Ogim B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof door indiening in het Portaal van de Hoge Raad van een op 26 mei 2026 gedateerd verzoekschrift tot cassatie. [verzoekster 1] is indirect bestuurder van Ogim B.V.

1.4

Op 28 mei 2026 is door de griffie aan [verzoekster 1] medegedeeld dat een civiel cassatieberoep door tussenkomst van een cassatieadvocaat per procesinleiding dient te worden ingediend in het Portaal van de Hoge Raad. Daarbij is vermeld dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een partij die zonder procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat in een civiele zaak cassatieberoep instelt, in dat beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verder is bericht dat het gebrek (indiening zonder tussenkomst cassatieadvocaat) kan worden hersteld door het verzoek tot cassatie binnen twee weken na binnenkomst op de griffie alsnog door een cassatieadvocaat via het Portaal van de Hoge Raad te laten indienen (uiterlijk op 10 juni 2026).

1.5

Op 8 juni 2026 heeft [verzoekster 1] uitstel verzocht tot 22 juni 2026 op de grond dat zij op zoek moet naar een andere advocaat. De griffie heeft diezelfde dag geantwoord dat uitstel van de termijn voor herstel niet mogelijk is.

1.6

Op 11 juni 2026 heeft [verzoekster 1], in antwoord op een vraag van de griffie van de Hoge Raad, bericht de zaak te willen voortzetten.

2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in verband met de indiening van de procesinleiding zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat worden [verzoekster 1] en Ogim B.V. hierna gezamenlijk aangeduid als verzoeksters.

2.2

Uit art. 12 lid 2 Faillissementswet in verbinding met art. 426a lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een procesinleiding die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

2.3

Het verzoekschrift dat op 27 mei 2026 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen, is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Er is geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om dit verzuim binnen twee weken te herstellen.

2.4

Nu de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet binnen de geboden termijn is hersteld, dienen verzoeksters in hun beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat de persoon die zelf het cassatieberoep heeft ingesteld niet erin is geslaagd tijdig een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen, maakt dit niet anders. Het vereiste van art. 426a lid 1 Rv, dat cassatieberoep wordt ingesteld door middel van een procesinleiding die wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is niet in strijd met art. 6 EVRM.

2.5

Gelet op het voorgaande dienen verzoeksters niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun cassatieberoep.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeksters in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Plv.

Zie rov 1.2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Vgl. HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1725, rov. 2; HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605, rov. 2; HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1540, rov. 2; HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4497, rov. 3.2. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3, rov. 3 overwoog: “Volgens het in deze zaak toepasselijke art. 426a lid 1 Rv wordt het beroep in cassatie aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend en ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit voorschrift is, anders dan [verzoeker] klaarblijkelijk meent, niet in strijd met art. 6 EVRM (EHRM 9 okt. 1979, Serie A no. 32, Airey, par. 26; EHRM 24 nov. 1986, Serie A no. 109, Gillow, par. 69; EHRM 27 aug. 1991, Serie A no. 209, Philis, par. 59).”. Zie voorts punt 3.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2022:902) voor HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605.