Verbintenissenrecht

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Overeenkomst van geldlening. Bewijskracht onderhandse…

Hoge Raad, 21 december 2018

Zaakgegevens

Op 21 december 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2018
Datum publicatie
20 december 2018
Zaaknummer
17/05998
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. P.S Kamminga, mr. C.G.A van Stratum
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2372
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Overeenkomst van geldlening. Bewijskracht onderhandse akte. Art. 157-159 Rv.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 19 september 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:4089
  2. Conclusie A-G · 26 oktober 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:1415
  3. Hoge Raad · 21 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:2372

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

21 december 2018

Eerste Kamer

17/05998

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mario Dennis WINTER, handelend in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te Den Haag ,

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Eiser zal hierna ook worden aangeduid als Winter q.q. Verweerder onder 1 zal hierna worden aangeduid als [verweerder 1] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/09/451641/HAZA 13-1094 van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014;

b. de arresten in de zaak 200.164.733/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2016 en 19 september 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft Winter q.q. beroep in cassatie ingesteld. [verweerder 1] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Winter q.q. en [verweerder 1] hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor Winter q.q. toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.

De advocaat van Winter q.q. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

in het principale en in het incidentele beroep voorts:

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 21 december 2018.