Verbintenissenrecht
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige daad; betrokkenheid bij…
Hoge Raad, 17 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1286 · Hoge Raad · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/verbintenissenrecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1286
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/02551
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- H.J.W. Alt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1286
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige daad; betrokkenheid bij verduistering obligatieportefeuille en gelden. Procesrecht (art. 843a (oud) Rv). Tweeconclusieregel.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:546Hoge Raad · 17 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1286
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02551
Datum 17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
VICKERS HOLDING & FINANCE INC.,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Vickers,
niet verschenen.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/15/256549 / HA ZA 17-213 van de rechtbank Noord-Holland van 16 augustus 2017;
b. de arresten in de zaken 200.232.164/01 en 200.324.993/01 van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018, 8 januari 2019, 17 december 2019, 23 november 2021, 5 juli 2022 en 15 april 2025.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof van 17 december 2019, 23 november 2021, 5 juli 2022 en 15 april 2025 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Vickers is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vickers begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.