Verbintenissenrecht

Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Overeenkomst tot vermogensbeheer van particulier. Schadevergoeding bij…

Hoge Raad, 14 juni 2019

Zaakgegevens

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juni 2019
Datum publicatie
13 juni 2019
Zaaknummer
18/01477
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
mr. J.W de Jong, mr. F.E. Vermeulen
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:926
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Overeenkomst tot vermogensbeheer van particulier. Schadevergoeding bij tekortkoming. Doeleinden belegging. Waarschuwingsplicht? Samenstelling portefeuille gelet op doelstellingen. Schadebegroting. Erkentenis schadeomvang? Eigen schuld? Grenzen rechtsstrijd.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 9 januari 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:25
  2. Conclusie A-G · 5 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:440
  3. Hoge Raad · 14 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:926

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/01477

Datum 14 juni 2019

ARREST

In de zaak van

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: [eiseres],

advocaat: mr. J.W. de Jong,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., rechtsopvolgster van Schretlen & Co N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: Rabobank,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge raad naar:

a. de vonnissen in de zaak 495663/ HA ZA 11-2228 van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2011 en 9 mei 2012;

b. de arresten in de zaak 200.111.500/01 van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2014, 23 december 2014, 8 december 2015, 21 juni 2016, 11 oktober 2016 en 9 januari 2018.

[eiseres] heeft tegen de arresten van het gerechtshof van 22 april 2014 en 9 januari 2018 beroep in cassatie ingesteld. Rabobank heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiseres] mede door mr. J.L. Luiten en voor Rabobank mede door mr. R. Bloemink.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van zowel het principaal als het incidentele cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 866,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Rabobank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 juni 2019.