Verbintenissenrecht

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Deeltijdstudent uitgesloten van verdere deelname aan opleiding aan…

Hoge Raad, 8 oktober 2021

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2021
Datum publicatie
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01756
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
K. Aantjes
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1459
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Deeltijdstudent uitgesloten van verdere deelname aan opleiding aan hogeschool, wegens gebrekkige studievoortgang en voorgenomen 'uitfasering' van de opleiding. Heeft hogeschool zorgplicht geschonden?

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12 oktober 2016

    ECLI:NL:RBZWB:2016:6382
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 maart 2020

    ECLI:NL:GHSHE:2020:889
  3. Conclusie A-G · 27 augustus 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:770
  4. Hoge Raad · 8 oktober 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1459

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01756

Datum 8 oktober 2021

ARREST

In de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: [eiser],

advocaat: K. Aantjes,

tegen

STICHTING HZ UNIVERSITY OF APPLIED SCIENCES,
gevestigd te Vlissingen,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: HZ,

advocaten: J.W.H. van Wijk en P.J. Tanja.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/02/307135 / HA ZA 15-731 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2016 en 12 oktober 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.213.174/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 mei 2017 en 10 maart 2020.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 10 maart 2020 beroep in cassatie ingesteld. HZ heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor HZ toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

  • verwerpt het principale beroep;

  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HZ begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.