Verbintenissenrecht
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Motiveringsklachten.
Hoge Raad, 22 april 2022
ECLI:NL:HR:2022:629 · Hoge Raad · 22 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/verbintenissenrecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2022-629
Zaakgegevens
Op 22 april 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2022
- Datum publicatie
- 21 april 2022
- Zaaknummer
- 21/01148
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J.H van Gelderen, R.L.M.M. Tan
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:629
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Motiveringsklachten.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 15 december 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:3463Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 december 2021
ECLI:NL:PHR:2021:1191Hoge Raad · 22 april 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:629
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/01148
Datum 22 april 2022
ARREST
In de zaak van
1. HDR MANAGEMENT SUPPORT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. HDR CAPITAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: HDR c.s.,
advocaat: J.H. van Gelderen,
tegen
1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster 1] ,
niet verschenen,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder 2] ,
advocaat: R.L.M.M. Tan.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
de vonnissen in de zaak C/13/633949 / HA ZA 17-795 van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2018 en 6 juni 2018;
-
het arrest in de zaak 200.245.406/01 van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2020.
HDR c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder 2] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
[verweerster 1] heeft geen verweerschrift ingediend.
De zaak is voor HDR c.s. en [verweerder 2] toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van HDR c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
-
verwerpt het beroep;
-
veroordeelt HDR c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] begroot op nihil en aan de zijde van [verweerder 2] begroot op € 2.177,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien HDR c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.