Verbintenissenrecht

Art. 81 lid 1 RO. Vermogensrecht; goederenrecht; burenrecht; verkrijgende verjaring (art. 3:99 lid 1 BW)…

Hoge Raad, 13 maart 2026

Zaakgegevens

Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 maart 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
Zaaknummer
25/00948
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Advocaat
R.T. Wiegerink.
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:394
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Vermogensrecht; goederenrecht; burenrecht; verkrijgende verjaring (art. 3:99 lid 1 BW). Geschil over eigendom strook grond.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 17 december 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:3491
  2. Conclusie A-G · 16 januari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:82
  3. Hoge Raad · 13 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:394

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00948

Datum 13 maart 2026

ARREST

In de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaten: M.J. van Basten Batenburg en M. van Tiel,

tegen

1. [verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: [verweerders],

advocaat: R.T. Wiegerink.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/13/688016/ HA ZA 20-808 van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2021, 12 mei 2021 en 29 december 2021;

b. de arresten in de zaak 200.308.985/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024 en 17 december 2024.

[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.