Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging in Wallengebied Amsterdam (art. 141.1 Sr). Noodweer, art. 41.1 Sr. Zijn gedragingen…

Zaakgegevens

Op 28 mei 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 mei 2024
Datum publicatie
17 mei 2024
Zaaknummer
22/00521
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:729
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Openlijke geweldpleging in Wallengebied Amsterdam (art. 141.1 Sr). Noodweer, art. 41.1 Sr. Zijn gedragingen van verdachte aanvallend van aard?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00536.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 3 februari 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:286
  2. Gerechtshof Amsterdam · 3 februari 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:287
  3. Conclusie A-G · 19 maart 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:285
  4. Hoge Raad · 28 mei 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:729

  5. Hoge Raad · 28 mei 2024

    ECLI:NL:HR:2024:730
  6. Conclusie A-G · 28 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:579
  7. Conclusie A-G · 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:578

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00521

Datum 28 mei 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 februari 2022, nummer 23-003391-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 66 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2024.