Strafrecht overig

Feitelijke leiding geven aan opzettelijk niet voeren en bewaren van volledige bedrijfsadministratie, begaan…

Zaakgegevens

Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 mei 2025
Datum publicatie
22 mei 2025
Zaaknummer
22/04460
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:794
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Feitelijke leiding geven aan opzettelijk niet voeren en bewaren van volledige bedrijfsadministratie, begaan door rechtspersoon (art. 69.1 AWR). 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM wegens schending van ne bis in idem-beginsel. 2. Bewijsklachten omvang administratieplicht, feitelijk leidinggever en opzet t.a.v. voeren van ondeugdelijke administratie.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04459.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:343
  2. Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:794

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04460

Datum 27 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2022, nummer 22-000339-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten P. de Haas en J.S. Klaver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen wat betreft de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw P. de Haas heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 7.500, subsidiair 72 dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.125, subsidiair 70 dagen hechtenis, bedragen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.