Strafrecht overig

Vervaardigen en openbaar maken van seksuele afbeeldingen van dochter van zijn ex-vriendin (meermalen…

Hoge Raad, 27 mei 2025

Zaakgegevens

Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 mei 2025
Datum publicatie
26 mei 2025
Zaaknummer
23/04366
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:825
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervaardigen en openbaar maken van seksuele afbeeldingen van dochter van zijn ex-vriendin (meermalen gepleegd), art. 139.1.a (oud) en 139.2.a (oud) Sr. 1. Bewijsklacht openbaar maken. 2. Bewijsklacht vervaardigen van afbeeldingen van seksuele aard.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 1 november 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2992
  2. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:299
  3. Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:825

    Overig

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04366

Datum 27 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 november 2023, nummer 22-002976-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.G. Cantarella bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.