Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin en haar ex-partner, op de wijze…
ECLI:NL:GHDHA:2023:2992 · Gerechtshof Den Haag · 1 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2023-2992
Zaakgegevens
Op 1 november 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 november 2023
- Datum publicatie
- 20 augustus 2025
- Zaaknummer
- 22-002976-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2992
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin en haar ex-partner, op de wijze zoals is bewezenverklaard. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen en openbaar maken van seksuele afbeeldingen van de dochter van zijn ex-vriendin. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 1 november 2023deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2023:2992
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 maart 2025
ECLI:NL:PHR:2025:299
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-002976-21
Parketnummers: 10-307920-20 en 08-150472-18 (TUL)
Datum uitspraak: 1 november 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 september 2021 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1991,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1, 2, 4 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Het openbaar ministerie is in eerste aanleg ter zake van het tenlastegelegde onder 3 niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 april 2020 te Capelle aan den IJssel en/of Deventer, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- Ik snij je keel door, en/of
- Ik ga je vermoorden, en/of
- " wolla, jij gaat kogels eten als ik jou zie", en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 februari 2020 tot en met 1 april 2020 te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- Ik ga je keel doorsnijden, en/of
- Je gaat doodbloeden, en/of
- Als ik je op straat tegenkomen, dan steek ik een mes in je zij, en/of
- Ik sloop je als je je telefoon niet opneemt, en/of
- Ik neuk jou, je moeder, [slachtoffer 3] en [naam] dood, en/of
- " Wolla [slachtoffer 2] ik ga jou doodmaken, hand op Koran ik ga jou in stukjes hakken",
- " Ik blaas jou op",
- " Ik zweer je dit meisje ga ik doodmaken", en/of andere woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 14 april 2020 te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 2] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door: - één of meerdere naaktfoto's van de dochter van die [slachtoffer 2] in een openbaar groepsbericht (met ongeveer veertig, althans meerdere deelnemers) op een Messenger te plaatsen, en/of - (daarbij) een of meerdere foto's van [slachtoffer 2] te plaatsen, en/of - (daarbij) de tekst: "[adres] Capelle aan den IJssel, gratis hoer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, te plaatsen, en/of - (daarbij) de tekst: "Die laatste is [slachtoffer 2], Wholla, op Koran" toe te voegen;
4.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 14 april 2020, te Breda en/of te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer 3], een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten een of meerdere afbeeldingen waarop die [slachtoffer 3] naakt te zien en/of intieme handelingen bij zichzelf uitvoert (terwijl zij herkenbaar in beeld is), heeft vervaardigd;
5.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 14 april 2020, te Breda en/of te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland, van een persoon, te weten [slachtoffer 3], een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten een of meerdere afbeeldingen waarop die [slachtoffer 3] naakt te zien en/of intieme handelingen bij zichzelf uitvoert (terwijl zij herkenbaar in beeld is), openbaar heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze afbeelding door hem, verdachte, zelf opzettelijk en wederrechtelijk was/waren vervaardigd;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van de bewijsmiddelen, namelijk met de getuigenverklaringen die zijn afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 2 juni 2022.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Feit 3
Met de rechtbank overweegt het hof dat op grond van artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht de vervolging van het misdrijf smaad alleen kan plaatsvinden op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan.
Een van de formele eisen waaraan een klacht moet voldoen is dat een klacht binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het feit dient te worden ingediend en in ontvangst dient te worden genomen door een (hulp)officier van justitie. In het dossier ontbreekt een formele klacht van aangeefster [slachtoffer 2] en in haar aangifte is niet de uitdrukkelijke wens tot vervolging ter zake van smaad opgenomen. Ook blijkt niet dat er enig initiatief door het openbaar ministerie is genomen om daarover contact met aangeefster op te nemen. Dit betekent dat niet aan het klachtvereiste is voldaan.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman - tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 1 april 2020 te Capelle aan den IJssel en/of Deventer, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- Ik snij je keel door, en/of
- Ik ga je vermoorden, en/of
- "wolla, jij gaat kogels eten als ik jou zie", en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 februari 2020 tot en met 1 april 2020 te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- Ik ga je keel doorsnijden, en/of
- Je gaat doodbloeden, en/of
- Als ik je op straat tegenkomen, dan steek ik een mes in je zij, en/of
- Ik sloop je als je je telefoon niet opneemt, en/of
- Ik neuk jou, je moeder, [slachtoffer 3] en [naam] dood, en/of
- " Wolla [slachtoffer 2] ik ga jou doodmaken, hand op Koran ik ga jou in stukjes hakken", en
- " Ik blaas jou op", en
- " Ik zweer je dit meisje ga ik doodmaken", en/of andere woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
4.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 14 april 2020, te Breda en/of te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer 3], een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten een of meerdere afbeeldingen waarop die [slachtoffer 3] naakt te zien is en/of intieme handelingen bij zichzelf uitvoert (terwijl zij herkenbaar in beeld is), heeft vervaardigd;
5.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 14 april 2020, te Breda en/of te Capelle aan den IJssel en/of te Deventer, althans in Nederland, van een persoon, te weten [slachtoffer 3], een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten een of meerdere afbeeldingen waarop die [slachtoffer 3] naakt te zien is en/of intieme handelingen bij zichzelf uitvoert (terwijl zij herkenbaar in beeld is), openbaar heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze afbeeldingen door hem, verdachte, zelf opzettelijk en wederrechtelijk was/waren vervaardigd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
Feiten 1 en 2
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2. De raadsman heeft daartoe aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat bij de aangever en aangeefster in redelijkheid niet de vrees heeft kunnen ontstaan dat zij werkelijk van het leven beroofd zouden worden.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door de verdachte geuite (niet mis te verstane) bewoordingen in de gegeven omstandigheden naar objectieve maatstaven bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte deze uitlatingen deed in een hoog opgelopen conflict met zijn ex-vriendin, waarbij ook haar ex-partner werd betrokken. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.
Feiten 4 en 5
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 4 en 5. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat het dossier geen afbeeldingen en ook geen beschrijving van de afbeeldingen bevat waardoor sprake is van onvoldoende feitelijk materiaal om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, als de afbeeldingen wel gemaakt zouden zijn, de wederrechtelijkheid daarvan ontbreekt vanwege het impliciet instemmen door aangeefster [slachtoffer 3] en gezien de verklaring van [slachtoffer 3] bij de raadsheer-commissaris. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat het dossier niets zegt over de vraag of de afbeeldingen daadwerkelijk openbaar zijn gemaakt.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de beschrijving van de afbeeldingen die door de moeder van aangeefster [slachtoffer 3] zijn gedaan en de verklaring van [slachtoffer 3] zelf bij de raadsheer-commissaris, waarin zij een beschrijving geeft van de afbeeldingen zoals zij die later heeft gezien, in combinatie met de spraakberichten waarin door verdachte ook wordt gerefereerd aan het seksuele karakter van de beelden, is hetgeen onder 4 is tenlastegelegd buiten redelijke twijfel vast komen te staan. Het hof overweegt daarbij dat het tijdens het voeren van een WhatsApp-videogesprek naakt verrichten van seksuele handelingen niet zonder meer de toestemming tot het vervaardigen van afbeeldingen (van seksuele aard) daarvan impliceert.
Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte de betreffende afbeeldingen heeft verspreid in een groepsapp waar ongeveer 40 mensen deel van uitmaakten. De moeder van aangeefster maakte deel uit van die groep, maar daarin zaten ook personen die de moeder van aangeefster niet persoonlijk kende. Gelet op wat bekend is over de groepsapp en het ontbreken van enige aanwijzing dat aangeefster (afgezien van haar moeder) iemand kende die in die groep zat, gaat het hof ervan uit dat aangeefster niet bekend was met de groepsapp en de personen die daar deel van uitmaakten. Voorts merkt het hof op dat de door de verdachte binnen de groepsapp gedeelde afbeeldingen van aangeefster door de wijze van verzending zeer gemakkelijk waren te delen met willekeurige derden buiten de genoemde groep en dat het – mede gelet op het karakter van de afbeeldingen – ook geenszins ondenkbaar is dat dat is of zou zijn gebeurd.
Gelet op het voorgaande acht het hof de feiten 4 en 5 bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat deze door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van seksuele aard van een persoon is verkregen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin en haar ex-partner, op de wijze zoals is bewezenverklaard. Deze bedreigingen zijn voor de slachtoffers beangstigend geweest. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen en openbaar maken van seksuele afbeeldingen van de dochter van zijn ex-vriendin. Daarmee heeft de verdachte die dochter zeer gekrenkt en haar eer en goede naam geschaad.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Gelet op de eerdere veroordelingen wegens bedreiging, maar vooral ook vanwege het uiterst vervelende karakter van de feiten die betrekking hebben op de dochter van de ex-vriendin van de verdachte, acht het hof – anders dan de advocaat-generaal - de oplegging van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf onontkoombaar. Daarbij merkt het hof op dat daar waar ten aanzien van de bedreigingen nog gedacht zou kunnen worden dat de verdachte die (telkens) in een opwelling heeft gedaan, de andere feiten getuigen van een zekere (uitgekiende) planmatigheid, zodat het opvliegende karakter van de verdachte daar hoe dan ook geen excuus voor kan vormen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Met het opleggen van een grotendeels voorwaardelijke straf wordt mede beoogd de verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van een strafbaar feit. Met de op te leggen bijzondere voorwaarde wordt eenzelfde doel nagestreefd.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 7 november 2018 onder parketnummer
08-150472-18 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van drie jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zij het dat de advocaat-generaal heeft voorgesteld de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond. Verlenging van de proeftijd, zoals voorgesteld door de raadsman, is niet langer mogelijk, nu de proeftijd reeds is verstreken.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Het hof ziet – mede gelet op de te verwachten problemen bij de uitvoering van een taakstraf – geen aanleiding om de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 139h en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is tot het volgen en afronden van een training op het gebied van agressieregulatie bij een door de reclassering aan te wijzen instantie, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften die hem in het kader van die behandeling worden gegeven.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 7 november 2018, parketnummer 08-150472-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, mr. B.P. de Boer en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, in bijzijn van de griffier mr. F.S. Ördü.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 november 2023.