Strafrecht overig

Zware mishandeling door ander meermalen tegen zijn hoofd te slaan waardoor deze blijvende gehoorschade heeft…

Hoge Raad, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
8 juli 2026
Zaaknummer
24/02721
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1218
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zware mishandeling door ander meermalen tegen zijn hoofd te slaan waardoor deze blijvende gehoorschade heeft opgelopen, art. 302.1 Sr. 1. Preliminair verweer strekkende tot niet ontvankelijkverklaring OM gelet op de door verdachte ontvangen sepotbrief gevolgd door klacht ex art. 12 Sv, art. 359a Sv. 2. Heeft hof verzuimd te beslissen op ttz. in hoger beroep (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot horen van 2 getuigen? 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden, art. 359.2 Sv. Kan toegebracht letsel (blijvende gehoorschade) worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel?

HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02721

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nummer 20-001710-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.D. Popescu bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.