Strafrecht overig
Medeplegen kraken van gebouw van Egyptische zending in Den Haag, art. 138a.3 Sr. 1. Motiveringsklachten tegen…
Hoge Raad, 14 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1259 · Hoge Raad · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1259
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/01389
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1259
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen kraken van gebouw van Egyptische zending in Den Haag, art. 138a.3 Sr. 1. Motiveringsklachten tegen ’s hofs oordeel om aan onrechtmatige ontruiming geen rechtsgevolg te verbinden m.b.t. noodzakelijkheid en proportionaliteit van inbreuk op art. 8 EVRM, verplichting van art. 22.2 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en strafvermindering. 2. Afwijzing van verzoek om “kraakdossier” bij processtukken te voegen. 3. Strafmotivering (voorwaardelijke geldboete van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis). Had hof toepassing moeten geven aan art. 9a Sr?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01398.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 27 maart 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:1733Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:569Hoge Raad · 14 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1259
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01389
Datum 14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2024, nummer 22-000269-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.J.M. van den Brûle bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.