Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit internetoplichting. Niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in ontnemingsvordering…
ECLI:NL:HR:2026:381 · Hoge Raad · 17 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-381
Zaakgegevens
Op 17 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Datum publicatie
- 10 maart 2026
- Zaaknummer
- 23/03376
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:381
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit internetoplichting. Niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in ontnemingsvordering wegens vrijspraak in strafzaak in eerste aanleg. 1. Wijze waarop hof de omvang van ontnemingsmaatregel heeft bepaald. Had hof de vorderingen van benadeelde partijen en mogelijk verbeurd te verklaren gelden in mindering moeten brengen op te ontnemen bedrag? 2. Motivering schatting w.v.v. 3. Verzuim verkorte uitspraak tijdig aan te vullen met bewijsmiddelen, art. 365a.3 Sv. 4. Onderbreking van onderzoek ttz. met als doel om uitspraak later te laten plaatsvinden en ondertekening van p-v’s van tz.
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02361 (strafzaak). CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (cassatieakte is opgemaakt buiten termijn voor instellen van cassatieberoep).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 juni 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1874Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 januari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:37Hoge Raad · 17 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:381
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03376 P
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000860-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/02361, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.