Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:3641

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/181270-22 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3641. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/181270-22 (ontneming)
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
24 February 2026

Indicatie

Ontneming artikel 36e lid 1 Sr. Door middel van of uit baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit; het medeplegen van oplichting. Wederrechtelijk verkregen voordeel en betalingsverplichting aan de staat vastgesteld op € 302.437,24. Gijzeling bepaald op 1095 dagen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/181270-22 (ontneming)

Datum uitspraak: 24 februari 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 januari 2025 (regie), 13 mei 2025 en 13 januari 2026 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen op de terechtzitting heeft ingenomen en van wat door de veroordeelde op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2
De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 419.054,52 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3
De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 27 januari 2026 door deze rechtbank, onder meer veroordeeld voor het medeplegen van oplichting.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

4
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 314.290,89.

De officier van justitie is ervan uitgegaan dat de veroordeelde in totaal € 419.054,52 aan donaties heeft ontvangen, in de periode tussen 14 augustus 2020 (ontvangst eerste donatie) en 27 februari 2023 (ontvangst laatste donatie). Van dat bedrag is naar schatting 25% besteed aan de gestelde doelen van de Buitenparlementaire Onderzoekscommissie 2020 en doezelfnormaal.nl en 75% aan privé uitgaven (€ 314.290,89).

De officier van justitie is bij deze berekening uitgegaan van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2025, waarin het totaal aan ontvangen donaties is becijferd (p. 1132-1133, met bijlage); en van het proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2023 (p. 1023-1025, met bijlagen), waarin de privéuitgaven van de veroordeelde in kaart zijn gebracht. Uit die processen-verbaal en uit de verklaring van de veroordeelde bij de politie van 8 maart 2023 (p. 318-341, in het bijzonder p. 326) volgt dat 75% van de donaties is opgegaan aan privéuitgaven van de veroordeelde.

4.2.

Standpunt van de veroordeelde

De veroordeelde heeft ter terechtzitting ontkend dat de ontvangen donaties aan privéuitgaven zijn besteed en heeft zich daarmee, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen.

Over zijn verklaring dat hij ongeveer 75% van de donaties heeft uitgegeven voor privédoeleinden, afgelegd tijdens een politieverhoor, heeft de veroordeelde gezegd dat deze verklaring niet in vrijheid is afgelegd en onder druk van de verhorende politieagenten tot stand is gekomen. Om die reden zou zijn verklaring moeten worden uitgesloten bij de beoordeling van de vordering.

4.3.

Bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt het volgende bewijsmiddel:

1. De gebruikte bewijsvoering in het op 27 januari 2026 gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde.

Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde bewijsoverwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak. Deze overwegingen omvatten mede de verwerping van het verweer van de veroordeelde, strekkende tot bewijsuitsluiting van zijn eerder afgelegde verklaringen.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening.

Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde in de onderzochte periode – van 14 augustus 2020 tot 27 februari 2023 – in totaal € 419.054,52 aan donaties heeft ontvangen. Daarover bestaat geen discussie.

De rechtbank is in het vonnis ten aanzien van het medeplegen van oplichting echter uitgegaan van een kortere pleegperiode dan de officier van justitie, te weten van 26 september 2020 tot en met 7 maart 2023, nu de eerste oplichtingshandeling pas op 26 september 2020 is verricht.

Verder kan op basis van de stukken in het dossier niet precies worden vastgesteld op welk moment binnen de onderzochte periode de verschillende donaties zijn ontvangen.

De rechtbank kan – op grond van de inhoud van de wettelijke bewijsmiddelen – het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel echter schatten.

De tenlastegelegde periode bedraagt 928 dagen. De bewezenverklaarde periode bedraagt 893 dagen. Uitgaande van een bedrag van € 419.054,52 dat aan donaties is ontvangen in de periode van 928 dagen, zal de rechtbank het bedrag aan donaties dat de veroordeelde in de periode van 893 dagen heeft ontvangen, schatten op € 403.249,66 (€ 419.054,52 / 928 = € 451,57 per dag, € 451,57 x 893 dagen = € 403.249,66) .

Met de officier van justitie is de rechtbank – gelet op de processen-verbaal op dit punt en de verklaring van de veroordeelde bij de politie – van oordeel dat 75% van het geld aan privé-uitgaven is uitgegeven en 25% aan kosten voor de Buitenparlementaire Onderzoekscommissie 2020 en doezelfnormaal.nl. Dat betekent dat de rechtbank het bedrag dat de veroordeelde aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen schat op 403.249,66 x 0,75 = € 302.437,24.

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 302.437,24.

4.6

Toerekening van het voordeel

De veroordeelde heeft met een ander wederrechtelijk voordeel verkregen. Aan het onderzoek ontleent de rechtbank geen duidelijke aanwijzingen voor het gerechtvaardigd vermoeden dat het totale voordeel kan worden aangemerkt als gemeenschappelijk voordeel. Voor een hoofdelijke toerekening ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

5
De vaststelling van de betalingsverplichting
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een bedrag van € 314.290,89 minus het bedrag dat moet worden betaald aan de benadeelde partij in deze strafzaak, de [stichting] .

5.2.

Standpunt van de verdediging

De veroordeelde stelt dat hij niets hoeft terug te betalen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en de termijn waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van het aan de staat te betalen ontnemingsbedrag dat zou zijn vastgesteld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM.

In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 7 maart 2023, de dag waarop conservatoir beslag werd gelegd op het banksaldo van de veroordeelde. De rechtbank wijst vonnis op 24 februari 2026, ruim twee jaar en elf maanden na aanvang van de redelijke termijn. Over de vraag wat de gevolgen van deze overschrijding moeten zijn, acht de rechtbank het volgende van belang.

De veroordeelde heeft de keuze gemaakt zich niet te laten bijstaan door een raadsman. Teneinde de veroordeelde te adviseren om zich te laten bijstaan door een raadsman, kon de zaak op 24 januari 2025 niet inhoudelijk worden behandeld, maar was het houden van een regiezitting noodzakelijk. Tijdens deze zitting heeft de veroordeelde de rechtbank gewraakt. Ook tijdens de uiteindelijk op 13 mei 2025 geplande inhoudelijke behandeling, heeft de veroordeelde de rechtbank gewraakt. De behandeling van de wrakingsverzoeken heeft voor de nodige vertraging gezorgd. De wrakingskamer heeft in haar uitspraak op het tweede wrakingsverzoek geoordeeld dat de veroordeelde het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee sprake is van misbruik.

Hoewel de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden met ruim elf maanden, is de rechtbank van oordeel dat deze overschrijding goeddeels te wijten is geweest aan de proceshouding van de veroordeelde, die lijkt te zijn ingegeven door de wens het verloop van de strafzaak te frustreren. De rechtbank is van oordeel dat daarom sprake is van bijzondere omstandigheden, die maken dat zij zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

5.3.2.

Kosten voor rechtsbijstand

Gelet op wat hiervoor is overwogen omtrent de proceshouding van de veroordeelde en de afwezigheid van een raadsman, begroot de rechtbank de door de veroordeelde gemaakte kosten in het kader van rechtsbijstand op nihil.

5.3.3.

Geen verrekening met de vordering van de benadeelde partij [stichting]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de te betalen vordering van de benadeelde partij in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, indien het veroordelend vonnis de vordering van de benadeelde partij zou worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, nu deze vordering niet-ontvankelijk is verklaard, deze niet kan worden betrokken bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijke voordeel wordt geschat.

5.4.

Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 302.437,24.

De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.

Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 302.437,24, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 1.095 dagen, nu dat het maximum vast te stellen aantal dagen gijzeling betreft.

6
Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

7
De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 302.437,24;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 302.437,24 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1.095 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Snoeijer, voorzitter,

mr. J.J. Balfoort, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2026.