5.3.
5.3.1.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en de termijn waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van het aan de staat te betalen ontnemingsbedrag dat zou zijn vastgesteld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM.
In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 7 maart 2023, de dag waarop conservatoir beslag werd gelegd op het banksaldo van de veroordeelde. De rechtbank wijst vonnis op 24 februari 2026, ruim twee jaar en elf maanden na aanvang van de redelijke termijn. Over de vraag wat de gevolgen van deze overschrijding moeten zijn, acht de rechtbank het volgende van belang.
De veroordeelde heeft de keuze gemaakt zich niet te laten bijstaan door een raadsman. Teneinde de veroordeelde te adviseren om zich te laten bijstaan door een raadsman, kon de zaak op 24 januari 2025 niet inhoudelijk worden behandeld, maar was het houden van een regiezitting noodzakelijk. Tijdens deze zitting heeft de veroordeelde de rechtbank gewraakt. Ook tijdens de uiteindelijk op 13 mei 2025 geplande inhoudelijke behandeling, heeft de veroordeelde de rechtbank gewraakt. De behandeling van de wrakingsverzoeken heeft voor de nodige vertraging gezorgd. De wrakingskamer heeft in haar uitspraak op het tweede wrakingsverzoek geoordeeld dat de veroordeelde het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee sprake is van misbruik.
Hoewel de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden met ruim elf maanden, is de rechtbank van oordeel dat deze overschrijding goeddeels te wijten is geweest aan de proceshouding van de veroordeelde, die lijkt te zijn ingegeven door de wens het verloop van de strafzaak te frustreren. De rechtbank is van oordeel dat daarom sprake is van bijzondere omstandigheden, die maken dat zij zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
5.3.3.
Geen verrekening met de vordering van de benadeelde partij [stichting]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de te betalen vordering van de benadeelde partij in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, indien het veroordelend vonnis de vordering van de benadeelde partij zou worden toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat, nu deze vordering niet-ontvankelijk is verklaard, deze niet kan worden betrokken bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijke voordeel wordt geschat.