Strafrecht overig
Economische zaak. Bezwaarschrift tegen dagvaarding, art. 262 Sv. Verzuim p-v op te maken van onderzoek in…
ECLI:NL:HR:1958:131 · Hoge Raad · 10 juni 1958
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1958-131
Zaakgegevens
Op 10 juni 1958 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juni 1958
- Datum publicatie
- 13 juli 2018
- Zaaknummer
- 516
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1958:131
Samenvatting
Economische zaak. Bezwaarschrift tegen dagvaarding, art. 262 Sv. Verzuim p-v op te maken van onderzoek in raadkamer, art. 25 Sv. Ex art. 25.1 Sv moet van onderzoek in raadkamer door griffier p-v worden opgemaakt, behelzende zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Dit artikel bevat nadere voorschriften t.a.v. wijze waarop dit p-v behoort te worden ingericht, vastgesteld en ondertekend, terwijl laatste lid bepaalt dat p-v met beschikking en verdere tijdens onderzoek in raadkamer in geding gebrachte stukken bij processtukken worden gevoegd. Nu zodanig p-v niet bij processtukken is aangetroffen, moet worden aangenomen dat het opmaken daarvan is verzuimd, welk verzuim betrekking heeft op een zo wezenlijke grondslag van strafproces in raadkamer, dat het nietigheid van onderzoek moet medebrengen, ook al is deze nietigheid niet met zoveel woorden in de wet bedreigd. Volgt vernietiging en verwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 1958
ECLI:NL:PHR:1958:1Hoge Raad · 10 juni 1958deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1958:131
Uitspraak
10 Juni 1958.
V.
No. 516.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
beschikkende in Raadkamer
Op het beroep van de Naamloze Vennootschap [requirante] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats], requirante van cassatie tegen een beschikking van de Arrondissements-Rechtbank te ’s-Gravenhage, Economische Kamer, van den 4den Februari 1958, waarbij genoemde Naamloze Vennootschap op een namens haar ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding is verwezen naar de terechtzitting terzake als in deze beschikking genoemd;
Gelet op het middel van cassatie, namens de requirante voorgesteld bij schriftuur en luidende:
‘’Schending en/of verkeerde toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering, door geen proces-verbaal van het onderzoek ter raadkamer te doen opmaken, vast te stellen, te ondertekenen en bij de processtukken te voegen, ten onrechte, omdat genoemd artikel 25 deze eisen wel stelt, en zulks op straffe van nietigheid;’’
Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat-Generaal Van Oosten, namens den Procureur-Generaal, daartoe strekkende, dat de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietige en de zaak verwijze naar het Gerechtshof in het ressort ten einde haar op het bestaande beroep te berechten en af te doen met inachtneming van het door den Hogen Raad te wijzen arrest;
Overwegende ten aanzien van het middel:
dat ingevolge artikel 25 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering van het onderzoek der raadkamer door den griffier een proces-verbaal moet worden opgemaakt, behelzende den zakelijken inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen;
dat dit artikel wijders nadere voorschriften bevat ten aanzien van de wijze, waarop dit proces-verbaal behoort te worden ingericht, vastgesteld en ondertekend, waarna het laatste lid bepaalt, dat het proces-verbaal met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek in de raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de proces-stukken worden gevoegd;
dat, nu zodanig proces-verbaal te dezen niet bij de proces-stukken is aangetroffen, aangenomen moet worden, dat het opmaken daarvan is verzuimd, welk verzuim betrekking heeft op een zo wezenlijken grondslag van het strafproces in raadkamer, dat het nietigheid van het onderzoek moet medebrengen, ook al is deze nietigheid niet met zovele woorden in de wet bedreigd;
dat het middel derhalve gegrond is;
vernietigt de aangevallen beschikking;
Rechtdoende krachtens artikel 106 der Wet op de Rechterlijke Organisatie:
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, Meervoudige Economische Kamer, teneinde op het bestaande bezwaarschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Gedaan en gewezen den tienden Juni 1900 acht en vijftig bij de Heren Mrs. van der Meulen, Vice-President, van Berckel, Westerouen van Meeteren, Kazemier en Dubbink, Raden, in tegenwoordigheid van den Griffier van Oordt, die deze beschikking hebben ondertekend.