Strafrecht overig
1. Afluisteren ‘opengebleven’ telefoonverbinding. 2. Zwaardere straf dan in eerste aanleg opgelegd resp. in…
ECLI:NL:HR:1989:AD0683 · Hoge Raad · 21 maart 1989
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1989-ad0683
Zaakgegevens
Op 21 maart 1989 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 maart 1989
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 84870
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1989:AD0683
Samenvatting
1. Afluisteren ‘opengebleven’ telefoonverbinding.
2. Zwaardere straf dan in eerste aanleg opgelegd resp. in hoger beroep gevorderd. Motivering.
Procesgang
Hoge Raad · 21 maart 1989deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1989:AD0683
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 maart 1989
ECLI:NL:PHR:1989:AD0683
Uitspraak
21 maart 1989
Strafkamer
nr. 84.870
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 september 1987 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats] , ten tijde van de bestreden uitspraak verblijvende in het Huis van Bewaring te Almelo.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen een gegeven vrijspraak, en voorts in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissements-rechtbank te Almelo van 17 maart 1987 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 telastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen" en 3. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest is omschreven.
2. Het cassatieberoep
2.1. Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. 2.2. Namens deze heeft Mr. H.G. Cohen, advocaat te Enschede, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het Hof ten onrechte het door en namens requirant gevoerde verweer ten aanzien van het sub 1 telastegelegde feit ten onrechte heeft verworpen, zodat het arrest niet naar de eis der wet naar behoren met redenen is omkleed. Voorts is artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordien het hiervoren bedoelde bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed, en onbegrijpelijk is.
Toelichting
a. Ten huize van de gewezen echtgenote van [verdachte] , [betrokkene 1] , heeft op 20 november 1986 een bespreking plaatsgevonden, waarbij volgens het proces-verbaal van politie aanwezig waren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
In de kamer waarin het gesprek plaatsvond bevond zich een zogeheten cordless telefoon, waarmede kort tevoren een telefoongesprek was gevoerd.
Nadat bedoeld telefoongesprek was geëindigd is, ongetwijfeld abusievelijk, de telefoon "open blijven staan".
In het kader van een daartoe verleend verlof werden in de betrokken periode telefoongesprekken vanuit en naar die woning afgeluisterd, zodat hetgeen in meerbedoelde bespreking aan de orde kwam door verbalisanten op band is opgenomen.
b. Evident is aldus dat - zoals het Hof overigens heeft vastgesteld - van een telefoongesprek als bedoeld in artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake was en dat het afluisteren en opnemen van meerbedoeld gesprek via de nog "open" telefoonverbinding niet begrepen kan worden onder de in artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering gegeven bevoegdheid.
Ten onrechte echter heeft het Hof daaromtrent nader overwogen dat - anders dan door en zijdens [verdachte] is betoogd - niet gezegd kan worden dat het op die wijze verkregen bewijs als onrechtmatig verkregen moet worden beschouwd, nu, aldus het Hof, het toevallen van bewijsmateriaal aan verbalisanten geheel door toedoen van verdachte en zijn medeverdachten is geschied "en betrekking had op een ernstig strafbaar feit".
Dat het betrokken bewijsmateriaal aan verbalisanten "geheel door toedoen van verdachte en zijn medeverdachten" is toegevallen is feitelijk onjuist.
Met name is onjuist dat dit door toedoen van verdachte [verdachte] is geschied.
Voorts is feitelijk onjuist dat dit toevallen - al dan niet geheel - door toedoen van verdachte en zijn medeverdachten is geschied, daar immers het aanwezig zijn en benutten van de telefoontap conditio sine qua non is voor het toevallen van het materiaal.
c. Naar mening van [verdachte] is duidelijk dat in casu verbalisanten hebben gebruik gemaakt van een telefoontap ex artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering in een situatie waarvoor bedoeld artikel niet geschreven is. Gezien de waarborgen die artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering beoogt te bieden kan het door middel van een op zichzelf rechtmatig geplaatste telefoontap vergaren van bewijsmateriaal in een situatie als de onderhavige niet worden getolereerd.
Het plaatsen en benutten van een telefoontap kan en mag uitsluitend het opnemen van telefoongesprekken betreffen; van een telefoongesprek was in casu geen sprake.
d. Dat het gesprek betrekking had op een ernstig feit (aldus het Hof) doet hieraan naar mening van [verdachte] niet af.
e. Gewezen wordt nog op het feit dat het gesprek plaatsvond in de woning van [betrokkene 3] , aldus op een private plaats. Artikel 125g maakt op de bescherming van de privacy in zoverre inbreuk dat van buiten komende en naar buiten gerichte telefoongesprekken mogen worden afgeluisterd. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de ex 125g Wetboek van Strafrecht geplaatste tap te gebruiken voor iets anders dan voor het afluisteren van telefoongesprekken, met name het afluisteren van een in een woning gevoerd gesprek.
f. De onderhavige inbreuk op de privacy verdraagt zich overigens voorts niet met artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, met name voorzover daarin is bepaald dat, kort weergegeven, inbreuk op privacy in de woning niet is toegestaan, tenzij de wet - onder omstandigheden - zulks toestaat. Een inbreuk als in casu aan de orde is bij de wet niet voorzien.
g. Het aldus verkregen bewijsmateriaal moet dan ook worden beschouwd als onrechtmatig te zijn verkregen. Al hetgeen uit de kennisneming van bedoeld gesprek in het kader van het onderhavige onderzoek is voortgevloeid behoort dan ook niet tot het bewijs mee te werken. Hierbij dient niet uitsluitend te worden gedacht aan de "directe" bewijslevering op basis van hetgeen in meerbedoeld gesprek is gezegd, doch voorts - onder meer - aan het op basis en met gebruikmaking van het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal horen van [betrokkene 1] , en het gebruik maken van haar verklaring, welke immers is afgelegd naar aanleiding van haar confrontatie met de weergave van het litigieuze gesprek.
h. Nog afgezien van het hiervoren gestelde met betrekking tot het verhoor van [betrokkene 1] dient hetgeen zij tegenover verbalisanten heeft verklaard niet mee te tellen tot het bewijs, daar het betrokken bewijs ook anderszins als onrechtmatig verkregen moet worden beschouwd.
Immers, [betrokkene 1] is begin januari 1987 door de gemeentepolitie te Enschede formeel weliswaar behandeld en gehoord als verdachte, doch materiaal is zij evident als getuige gehoord.
Verwezen moge worden naar hetgeen door ondergetekende raadsman ter zitting van het Hof op 14 september 1987 is aangevoerd (pleitnotities I sub 2 "het verhoor van [betrokkene 1] begin januari 1987").
f. Met betrekking tot de telefoontap zij nader opgemerkt: In casu is de beschikking ex 125g Strafvordering gegeven niet op grond van een onderzoek naar gepleegde feiten, doch naar aanleiding van bij opsporingsambtenaren gerezen vermoedens met betrekking tot een te plegen feit. Uit strekking en bewoordingen van de artikelen 125 g en 149 Strafvordering kan met betrekking tot de onderhavige kwestie slechts worden geconcludeerd dat de beschikking ex 125g Strafvordering ten onrechte is gegeven nu immers de Officier van Justitie in casu (nog) geen kennis had kunnen krijgen van enig strafbaar feit terzake waarvan hij een gerechtelijk vooronderzoek kon vorderen, nu immers van een gepleegd feit geen sprake was en er te dien aanzien evenmin van (strafbare) voorbereidingshandelingen sprake was.
j. Ter nadere adstructie moge worden verwezen naar de pleitnotities eerste aanleg pagina 1 tot en met 3 en pagina 4 tot en met 13e getypte regel.
k. Zelfs al zou het hiervoren onder a tot en met j gestelde niet tot cassatie kunnen leiden, ook dan zal hetgeen tijdens meergenoemde bespreking d.d. 20 november 1986 ter sprake is gekomen geen bijdrage tot het bewijs kunnen leveren. Immers, uit niets in de weergave van dat gesprek blijkt dat de alstoen beraamde diefstal betrekking had op de telastegelegde diefstal bij [A] . In dezen moge worden worden verwezen naar hetgeen [betrokkene 1] ter zitting van het Hof van 14 september 1987 als getuige te berde heeft gebracht. Noch uit de weergave van het litigieuze gesprek, noch uit de overige door het Hof gebezigde bewijsmiddelen (vide pleitnotities II sub 5, 6 en 7) kon het Hof in redelijkheid afleiden dat [verdachte] bij het telastegelegde feit betrokken was.
Met name heeft het Hof voorts uit de bewijsmiddelen niet kunnen afleiden dat [verdachte] de telastegelegde diefstal heeft begaan, en niet - bij voorbeeld - met betrekking tot deze affaire als heler zou moeten worden beschouwd.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het Hof de diefstal bij [B] (telastelegging sub 3) bewezen heeft verklaard, terwijl het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat niet duidelijk is hoe het Hof tot het oordeel is gekomen dat [verdachte] het hierbedoelde feit heeft gepleegd. Het oordeel van het Hof ontbeert een juiste motivering, en is dan ook onbegrijpelijk.
Toelichting
Uit de feiten en verklaringen heeft het Hof in redelijkheid niet het bewezenverklaarde kunnen afleiden. Immers:
a. De verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] bevatten uitsluitend veronderstellingen, en geen enkele controleerbare laat staan bewijsbare aanwijzing in de richting van [verdachte] .
b. Het aanwezig hebben van een vel postzegels kan noch op zichzelf noch in combinatie met andere middelen welke tot het bewijs zijn gebezigd in redelijkheid leiden tot de conclusie dat [verdachte] bij de bedoelde kluiskraak betrokken is geweest. Het feit dat de vellen postzegels bij de kluiskraak zijn ontvreemd - gezien het feit dat van algemene bekendheid is dat velen in het bezit zijn van vellen postzegels - op geen enkele wijze enige betrokkenheid van [verdachte] bij het hier telastegelegde misdrijf staven.
c. Evenmin kan - om evidente redenen - de aanwezigheid van [verdachte] in Enschede leiden tot de conclusie welke het Hof heeft getrokken, ook niet ingeval een of meer medeverdachten alstoen in Enschede verbleven.
d. Noch op zichzelf noch in combinatie met een of meer overige voor het bewijs gebruikte gegevens kan het feit dat [verdachte] bij [betrokkene 8] snijapparatuur heeft gehaald bijdragen tot de bewezenverklaring in casu. Voorts is niet bewezen dat deze apparatuur bij de betrokken kluiskraak is gebruikt. [verdachte] betwist dat de betrokken snijapparatuur bij enig misdrijf is benut.
e. Ter nadere adstructie zij verwezen naar de pleitnotities eerste aanleg, pagina 5 vanaf sub 3 tot en met pagina 6.
f. Naar mening van [verdachte] betreft het met betrekking tot dit middel gestelde geen in cassatie onaantastbare feitelijke vaststellingen van het Hof, doch een opsomming van gegevens welke in een logische redenering niet kunnen leiden tot bewezenverklaring van het litigieuze feit.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 358, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het Hof aan [verdachte] eenzelfde straf heeft opgelegd als de Rechtbank had gedaan, zulks zonder (voldoende) te motiveren waarom dit is gebeurd ondanks het feit dat het Hof een feit minder bewezen heeft geacht dan de Rechtbank had gedaan.
De verdachte heeft twee middelen van cassatie voorgesteld, inhoudende dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en de zaak in zoverre zal verwijzen naar een aangrenzend hof.
4. Telastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding telastegelegd dat:
1. hij in de nacht van 21 op 22 november 1986, in de gemeente Borne, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aanhangwagen en/of dekbedovertrekken, hoeslakens, badlakens en baddoeken, alles geheel of ten dele toebehorende aan de B.V. [A] , in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededaders;
2. hij in de periode van 14 juli 1986 tot en met 16 juli 1986 in de gemeente Borne, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of uit de Theresiakerk aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen vier miskelken, patenen, lepels, drie cibories en een pyxis, althans een of meer van deze goederen, geheel of ten dele toebehorende aan de Theresiaparochie te Borne, in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s);
3. hij in of omstreeks de nacht van 14 op 15 oktober 1986, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of uit een kantoorpand aan de [a-straat 1] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, f. 15.000, -- of daaromtrent, in ieder geval geld, geheel of ten dele toebehorende aan [B] B.V., in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededaders, althans hij, verdachte, alleen het weg te nemen goed onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door een brandkast of kluis open te branden en/of te forceren, en aldus en in ieder geval door middel van braak of verbreking;
4. hij in de gemeente Enschede in of omstreeks de nacht van 23 op 24 juli 1986, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of uit een perceel [b-straat 1] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen gereedschappen onder andere schroevedraaiers, ijzerzagen, loodkloppers en zinktangen, welke goederen geheel of ten dele toebehoorden aan de Firma [C] , in ieder geval aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s);
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"1. hij in de nacht van 21 op 22 november 1986, in de gemeente Borne, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aanhangwagen en dekbedovertrekken, hoeslakens, badlakens, en baddoeken, toebehorende aan de B.V. [A] ".
"3. hij in de nacht van 14 op 15 oktober 1986, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander uit een kantoorpand aan de [a-straat 1] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan [B] B.V., waarbij hij, verdachte, en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door een brandkast of kluis open te branden en te forceren, en aldus door middel van braak".
Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:
1. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 maart 1987, zakelijk weergegeven:
In november 1986 heeft tussen mij en andere personen een gesprek plaats gevonden, waarbij gesproken is over een te plegen inbraak bij een textielgroothandel. Bij dat gesprek is gesproken over het stelen van hoeslakens en dekbedovertrekken. Op de avond van 22 november 1986 ben ik in de [c-straat] te Enschede geweest. Ik was met mijn Mini komen aanrijden. Ik heb op geruime afstand achter [betrokkene 2] aangereden. Ik behoefde niet vlak achter [betrokkene 2] aan te rijden, omdat ik wist waarheen hij die avond zou rijden, namelijk naar de garage van [betrokkene 5] te Enschede. In de auto zat behalve mijn persoon ook [betrokkene 3] . Ik ben daar toen door de politie aangehouden
2. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 22 januari 1987, T. 16/rood 2 e.v.) opgemaakt door [verbalisant 1] , wachtmeester le klasse der Rijkspolitie, behorende tot de taktische recherche van de Rijkspolitie in het district Zwolle, voor zover inhoudende het - zakelijk weergegeven - relaas van verbalisant:
Op 20 november 1986 omstreeks 20.47 uur werd door de verdachte [betrokkene 3] in perceel [d-straat 1] te [plaats] een telefoongesprek gevoerd via de aansluiting [telefoonnummer] . Na het beëindigen van dit gesprek verrichtte [betrokkene 3] een onjuiste handeling met betrekking tot deze telefoon, als gevolg waarvan gedurende enige tijd de gesprekken die in het vertrek waar de telefoon aanwezig was werden gevoerd, konden worden afgeluisterd. Aan een ongeveer 15 minuten durend gesprek werd deelgenomen door [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] .
Uit dit gesprek kon worden opgemaakt dat men bezig was met de voorbereidingen van een grote inbraak in een groothandel.
Op 22 november 1986 werd in de loop van de ochtend bij de Rijkspolitie te Borne door [betrokkene 7] , adjunct-direkteur van de firma [A] te Borne, aangifte gedaan van diefstal van een aanhangwagen alsmede een grote hoeveelheid dekbedovertrekken, hoeslakens en badlakens. De aanhangwagen van de firma [A] was van het merk T.D.L., voorzien van twee assen en een zilverkleurige opbouw.
De aanhanger was ruim vier meter lang, 180 cm. breed en 210 cm. hoog. Ik, [verbalisant 1] , ontving die dag omstreeks 16.15 uur op het groepsbureau der Rijkspolitie te Borne een telefonische mededeling dat de bij [A] ontvreemde aanhangwagen op de parkeerplaats aan de [d-straat 1] te [plaats] stond. De aanhangwagen werd onder observatie gehouden.
Omstreeks 17.45 uur die dag werd geconstateerd dat de aanhangwagen werd voortbewogen door de Peugeot 504 van de verdachte [betrokkene 2] , gevolgd door de personenauto van de verdachte [verdachte] . Nadat beide voertuigen en de aanhangwagen in de [c-straat] te Enschede tot stilstand waren gebracht, werd besloten tot aanhouding over te gaan. Die dag tussen 18.10 uur en 18.25 um werden de verdachte [betrokkene 3] , [verdachte] en [betrokkene 2] aangehouden.
Op 9 januari 1987 werd de aangehouden verdachte [betrokkene 1] meermalen gehoord.
Zij legde een uitvoerige verklaring af omtrent de voorbereidende handelingen en plannen over de te plegen diefstal bij de firma [A] te Borne.
Uit haar verklaringen blijkt de betrokkenheid van de verdachten [verdachte] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 8] en [betrokkene 5] bij deze inbraak, danwel het vervoer van het ontvreemde alsmede het geven van inlichtingen omtrent de inbraak, het ter beschikking stellen van de aanhangwagen en de garage en het trachten cm de gestolen partij te verkopen.
3, Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal met daarbij behorende specificaties d.d. 22 november 1986, (T.16/ rood 10) opgemaakt door [verbalisant 2] , wachtmeester le klasse/ groepsrechercheur der Rijkspolitie Borne, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [betrokkene 7], zakelijk weergegeven:
Tussen 21 november 1986 te 21.15 uur en 22 november 1986 te 10.00 uur zijn uit de winkel en uit het achterliggende magazijn aan de Marktstraat te Borne weggenomen een aanhangwagen ( [kenteken 1] ) met dekbedovertrekken, hoeslakens, baddoeken en badlakens van het merk Seahorse.
De goederen waren eigendom van de B.V. [A] , waarvan ik adjunct- direkteur ben.
We hebben niemand het recht gegeven die goederen weg te nemen en zich toe te eigenen.
4. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 7 januari 1987, (T. 16/rood 25 e.v.), opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk wachtmeester le klasse van de Rijkspolitie te Losser en hoofdagent van gemeentepolitie te Enschede, tijdelijk werkzaam in een team adhoc te Enschede, inhoudende, zakelijk weergegeven, als hun relaas van bevindingen:
Op 20 november 1986, omstreeks 20.47 uur, werd door de verdachte [betrokkene 3] een telefoongesprek gevoerd vanaf het abonneenummer [telefoonnummer] .
Na dit gesprek bleef de bestaande telefoonverbinding vanaf het genoemde abonneenummer open door een kennelijk foutieve handeling van [betrokkene 3] voornoemd.
Hierdoor was het mogelijk om gedurende een periode van ongeveer 15 minuten de gesprekken te volgen in de ruimte, waarin het telefoontoestel was geplaatst.
Gedeelten van die gesprekken verliepen als volgt:
[betrokkene 1] : "'Dan laat je die liggen die badlakens".
[betrokkene 4] : "Die kun je wel meenemen; kun je zelf toch houden".
[betrokkene 3] : "'Neem maar mee".
[betrokkene 4] : "Die bus gaat zo vol als het maar ook kan .....".
[betrokkene 2] : "Heb je een bus dan? Heb je een bus?"
[betrokkene 3] : ''We hebben een mooie bus zien staan".
[betrokkene 2] : "Kleintje?"
[betrokkene 3] : "Grote; iets groter, lijkt op Daihatsu-Mitsubishi".
[betrokkene 1] : "Heb je er al een, [betrokkene 3] ook al?"
[betrokkene 4] : "Nee [betrokkene 3] hebben we ook, een Nissan".
"En dan moeten we even kijken, wat we vanavond doen met [betrokkene 8] ; dat weet ik ook nog niet".
[betrokkene 1] : "Gaat hij vanavond ook mee?"
[betrokkene 4] : "Ja natuurlijk, hij wil toch rijden vanavond met die auto. Of met de bus of met de auto ... of [betrokkene 2] ..... ik wil eventueel wel rijden, maar [betrokkene 3] zegt, als [betrokkene 2] rijdt en ze houden hem aan, dan is hij de auto er bij kwijt".
[betrokkene 2] : "Ach, tuurlijk niet".
[betrokkene 3] : "Oh nee? Als je gestolen handel achter in de auto hebt niet?"
[betrokkene 1] : "Het is wel zo, wat zij zegt; als [betrokkene 2] zegt: "ik weet niet wat er inzit, ik dacht dattie leeg was'"'.
[betrokkene 2] : "Nee, ik geef gewoon door: "Moest die aanhanger daar weghalen. Punt uit." Dan kunnen ze hoog en laag springen".
[betrokkene 4] : "Honderd gulden; dat weet jij ook wel, dat dat niet kan".
[betrokkene 2] : "Honderd gulden voor een aanhangertje weghalen niet,"
[betrokkene 1] : "Als hij weet, dat het gestolen goed is, kun je wel zeggen: "Je beurt vijf.", maar als ze gewoon aan je vragen".
[betrokkene 4] ": "En .... moet je neerzetten dan?"
[betrokkene 2] : "In Enschede?"
[betrokkene 4] : "Waar in Enschede?"
[betrokkene 2] : "Op het eigenlijke plaatsje, dat is makkelijk zat".
[betrokkene 4] : "Ja, ja"...
[betrokkene 1] : "Het is wel zo, als [betrokkene 3] rijdt en ze houden [betrokkene 3] aan, dan kunnen ze het nooit klaarmaken. "Dat heb jij gedaan." Dat is makkelijk zat".
[betrokkene 4] : "Jij kunt met een automaat rijden, maar met dat busje zitten wij, die gele bus".
[betrokkene 2] : "Maar hoe doen wij dat nou? Dus je haalt eerst een busje op?"
[betrokkene 4] : "Het gaat zo. Wij gaan daar naar toe . .. . De bus staat in de buurt. Dan ga ik daar naar binnen ...... Het gaat zo: Die aanhanger gaat vol; die zet ik buiten neer".
"Je laat de telefoon vijf keer overgaan, meer niet. Er wordt niet opgepakt hier 's nachts".
"Je laat hem vijf keer gaan; dan kun je er naar toe rijden; dan kan die er achter komen. Maar als hij nou zegt, als hij die Nissan meekrijgt, dan rijdt hij".
[betrokkene 2] : "'Zeg, dan rijd ik die auto daarginds heen, mijn Peugeot, daar zit een trekhaak achter".
N.N. : "En die andere dan?"
[betrokkene 4] : "Dat is een Nissan; dat zei ik toch net".
N.N .: "Een Nissan?"
[betrokkene 4] : "Ja, een Nissan, een Nissan-automaat weet ik nog te staan. Net bij de garage, als het goed is, met een trekhaak erachter".
[betrokkene 1] : "Oh, dat is helemaal mooi".
[betrokkene 4] : "'Van 1985. Als je die nou kunt krijgen, dan wil ik het wel proberen".
[betrokkene 1] : "Oh, dan ga je die vanavond jatten en als dat lukt, dan bel je [betrokkene 3] ?"
[betrokkene 4] : "'Nee, als het niet gaat, dan hebben wij [betrokkene 2] nodig; dan moet [betrokkene 2] komen voor die aanhanger. Maar als. het wel gaat, kan [betrokkene 3] gewoon met die bus ..... "
[betrokkene 2] : "Dus als de telefoon gaat vannacht…..
[betrokkene 4] : "'Dan moet je daar naartoe komen".
[betrokkene 2] : "Dan kom ik daar".
[betrokkene 4] : "Dat is altijd tegen een uur of zes; tegen een uur of zes gaat die aanhanger pas weg daar. Maar die aanhanger pakken wij vol en zetten hem direct buiten weer neer".
[betrokkene 2] : "'Dat is goed".
[betrokkene 1] : "Je gaat vanavond eerst proberen of die Nissan ... "'
[betrokkene 4] : "'Ja, dan gaat die Nissan hier langs. Als we die Nissan hebben gehad, dan gaat het sowieso niet door".
[betrokkene 1] : "Dan hoeft [betrokkene 2] niet te komen ..... "
Op dit moment gaat [betrokkene 1] weg en blijven [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de woning achter en gaat het gesprek verder.
[betrokkene 4] : "'Die andere vent zegt: "Wat moet je beuren dan voor die handel? Zeg eens wat." Die zocht handel".
[betrokkene 3] : "'Op het Volkspark aandoen, dan zitten er wel geen tennisracketjes op .. .'
[betrokkene 4] : "Seahorse, een grote firma. Die kan nergens goedkoper ..... voor tachtig gulden .... , dan houd ik ze liever zelf ..... "
[betrokkene 3] : "Ik dacht, dat je een bus vol wou laden, dan houd je een handdoeken .. ...
[betrokkene 4] : "'Juist niet, een doos met tennisrackets, één doos ..... en daar zitten er twintig in. Als ik ze voor een tientje kan verkopen, krijgen ze ze niet".
[betrokkene 3] : "Hoeveel in totaal? groothandel ...... "
[betrokkene 4] : "Dik honderd, maar dan heb je er tien en dinges tien en daar kan ikzelf ook wel op gaan liggen in het zand .... nee, dat doe ik toch niet hoor. Kleintjes liggen er honderden van ... in zulke dozen. .. .. "
[betrokkene 3] : "Hoe heten die handdoeken?"
[betrokkene 4] : "Seahorse het zeepaardje stond erop".
5. Een ambtsedig proces-verbaal met 11 foto's en een afbeelding d.d. 19 januari 1987 (T16/rood 51), opgemaakt door [verbalisant 1] , wachtmeester 1e, klasse van de Rijkspolitie, behorend tot de taktische recherche van de Rijkspolitie in het district Zwolle, voor zover:
inhoudende het - zakelijk weergegeven - relaas van verbalisant:
Foto's 6 en 7 tonen (bad)handdoeken met een tennisracket-motief (waarover in het telefoongesprek werd gesproken) die in het pand van de firma [A] aanwezig waren.
Afbeelding 6a toont de merknaam "Seahorse" en het zeepaardje. Hierover werd eveneens in het telefoongesprek gesproken. Op verschillende artikelen werd dit merk gevoerd.
6. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 januari 1987, (T.16/rood 69 e.v.), opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , respectievelijk hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie Almelo en wachtmeester der Rijkspolitie 1e klasse te Haaksbergen, voor zover inhoudende, de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Ik heb het bandje betreffende een opgenomen gesprek aangehoord.
Als deelnemers aan dit gesprek herken ik mijn ex-man [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en mezelf.
Nu ik het bandje terug hoor, herinner ik me het gesprek nog wel wat bij mij thuis gevoerd is. Het ging over de voorbereidingen van een op stapel staande inbraak in een textielgroothandel in Borne.
Dit gesprek is bij ons thuis gevoerd op de avond van 20 november 1987 omstreeks 21.00 uur. (Het hof leest 1987 verbeterd als 1986) Nadat er in eerste instantie over een prijs wordt gesproken, gaat het verdere gedeelte van het opgenomen gesprek over de handelingen voor, tijdens en na het plegen van de inbraak in het pand in Borne.
[betrokkene 4] heeft mij verteld dat hij een en ander zelf bekeken heeft.
[betrokkene 4] vertelde in ieder geval dat er talrijke bedovertrekken en badlakens lagen opgeslagen.
[betrokkene 3] als steler was ondenkbaar, vanwege zijn gebroken been, maar tot hulphandelingen was hij uiteraard wel bereid. Op dit moment was er dus een pand waar de handel moest worden weggehaald en een persoon die belangstelling toonde voor de handel.
Alleen het vervoer moest nog geregeld worden.
[betrokkene 3] kende een persoon, genaamd [betrokkene 5] , die in het bezit was van een aanhangwagen.
Hierop is contact gezocht met die [betrokkene 5] , die zijn aanhangwagen wilde afstaan.
Tegenover [betrokkene 5] is door [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gezegd dat zij de aanhangwagen maar voor een avond nodig hadden.
Op 21 november 1986 in de begin-avonduren, is [betrokkene 5] bij ons thuis gekomen.
Hierbij waren aanwezig [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en ikzelf. Ik hoorde dat [betrokkene 5] vroeg wanneer hij zijn aanhangwagen terug kon krijgen.
Hierbij werd het smoesje tegenover [betrokkene 5] opgehangen dat [betrokkene 3] nog een bed van Meta's ouders naar Meta moest brengen en daarvoor de aanhangwagen nog een dag nodig had.
Ik zag dat [betrokkene 5] op een gegeven moment een sleutel aan [betrokkene 2] gaf van zijn garagebox in Enschede en daarbij zei: "als hij terug is, dan zet je hem daar maar in".
In het verdere verloop van het gesprek wat ik heb aangehoord, wordt er duidelijk over een soort taakverdeling gesproken wat betreft de op stapel staande inbraak in Borne.
Hieromtrent kan ik mededelen dat de volgende afspraken werden gemaakt. [betrokkene 8] zou met een door hem geleende bus vanuit Enschede naar [betrokkene 4] toekomen.
Voor zover mij bekend was dit een gele VW-bus met een open laadbak. Ik heb inderdaad ook de opmerking gehoord dat men een andere bus ergens had zien staan, die blijkbaar ook interessant voor de heren was.
Op het moment van dit gesprek was men er nog niet over eens of men de meegebrachte bus van [betrokkene 8] of die andere bus zou gaan gebruiken voor deze inbraak.
Een nadeel was dat de bus van [betrokkene 8] voorzien was van een open laadbak. In ieder geval zouden [betrokkene 4] en [betrokkene 8] samen naar Borne gaan om daar de inbraak uit te voeren.
Daar zouden de inmiddels aldaar neergezette aanhangwagen van [betrokkene 5] worden volgepakt en de bus.
Dit kon dus de bus van [betrokkene 8] zijn of die andere bus die men ergens had zien staan.
Tevens werd de afspraak met [betrokkene 2] gemaakt dat wanneer de volgeladen aanhangwagen moest worden opgehaald, er vijf keer gebeld zou worden en dan moest er niet worden opgenomen.
Dit was voor [betrokkene 2] het sein dat hij met de Peugeot, welke voorzien is van een trekhaak, naar Borne moest komen om daar de volgeladen aanhangwagen weg te halen.
Voor [betrokkene 3] worden er geen concrete afspraken gemaakt omdat deze met zijn gebroken been gehandicapt was en derhalve niet inzetbaar was.
Dit was ongeveer de gang van zaken, zoals die moest gaan gebeuren. Hierna is besloten dat [betrokkene 3] die aanhangwagen in Borne zou ophalen omdat de Peugeot toch voorzien was van een automaat en [betrokkene 3] ondanks zijn handicap ook in deze auto kon rijden.
7. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 januari 1987, (T.16/rood 73 e.v.) opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , respectievelijk hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie Almelo en wachtmeester der Rijkspolitie 1e klasse te Haaksbergen, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Ik weet dat tijdens het gesprek op 21 november 1986 bij mij in de woning de afspraak was gemaakt dat [betrokkene 3] die nacht de volgeladen aanhangwagen in Borne moest ophalen.
Ik weet dat [betrokkene 3] beneden op de bank in zijn woning is gaan slapen en daar op het bewuste telefoontje zou wachten.
Ik kan me nog herinneren dat er telefonisch contact is geweest tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] en dat [betrokkene 8] [betrokkene 4] 's nachts zou ophalen om gezamenlijk naar Borne te gaan om in te breken.
De volgende morgen werd ik omstreeks 08.00 uur wakker en ging naar beneden.
Ik zag dat [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in de kamer op het bankstel zaten. Omdat ik wist dat de heren afgelopen nacht op pad waren geweest in Borne, was ik uiteraard vol belangstelling.
Ik vroeg daarom ook hoe het was gegaan.
[betrokkene 4] antwoordde dat het goed was gegaan, doch dat de buit kleiner was dan men had mee willen nemen.
Een en ander had allemaal veel te lang geduurd.
[betrokkene 4] vertelde ook dat hij nog lege dozen in de etalage had gezet om te laten blijken dat er in het betreffende pand in Borne niet was ingebroken althans die indruk wilde wekken.
Het had allemaal een beetje tegen gezeten en ze hadden veel meer willen meenemen.
[betrokkene 4] sprak duidelijk over "we".
Hieruit concludeerde ik dat [betrokkene 4] dus inderdaad met [betrokkene 8] op pad was geweest, zoals ik vanaf het eerste moment dat ik van het voornemen van deze inbraak hoorde van mening was.
Verder heb ik gevraagd of men al van de buit af was.
[betrokkene 4] zei dat het niet het geval was en dat de aanhangwagen op een parkeerplaats stond.
Ik heb nog opgevangen dat [betrokkene 3] zei dat hij erg slecht geslapen had want hij moest wachten op het telefoontje van [betrokkene 4] dat hij moest kamen naar Borne.
Nadat het telefoontje dan ook binnen was gekomen bij [betrokkene 3] , was hij meteen naar Borne gereden.
[betrokkene 4] bevestigde dat [betrokkene 3] er inderdaad behoorlijk snel was geweest. Dat [betrokkene 3] die aanhangwagen 's nachts heeft opgehaald met de buit is dus duidelijk.
Er moest iets geregeld worden met betrekking tot de nog steeds op de parkeerplaats staande volle aanhangwagen.
[betrokkene 3] kwam met de oplossing dat men nog steeds in het bezit was van de sleutel van de garagebox van [betrokkene 5] en dat daar de volle aanhangwagen maar naar binnen moest worden geschoven.
In eerste instantie zou [betrokkene 3] de aanhangwagen verrijden naar Enschede, doch hij vond het zelf veel te link.
Hierop besloot [betrokkene 4] het maar te doen en was reeds bezig om zijn jas aan te trekken.
Dit vond [betrokkene 2] echter niet eerlijk, omdat [betrokkene 4] dan alles had gedaan en men ook graag wilde meedelen in de buit.
[betrokkene 2] zei toen dat hij de aanhangwagen wel weg wilde brengen.
Hij vond het nu het juiste tijdstip on met de aanhangwagen te gaan rijden omdat ook marktlui met een aanhangwagen over straat reden en hij dus het minst opviel.
[betrokkene 2] verliet de woning.
Ongeveer vijf minuten later gingen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] weg want [betrokkene 4] zei tegen [betrokkene 3] dat ze nu ook weg moesten, want ze moesten achter de aanhangwagen aanrijden naar Enschede.
Hierop verlieten [betrokkene 4] en [betrokkene 3] de woning en zijn met de Mini weggereden.
8. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 25 november 1986, (T.16/rood 21 e.v.) opgemaakt door [verbalisant 7] , inspecteur van gemeentepolitie te Enschede, [verbalisant 9] , hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] , [verbalisant 8] , hoofdagent van gemeentepolitie te Enschede, [verbalisant 10] , agent van gemeentepolitie te Enschede, [verbalisant 11] , agent van gemeentepolitie te Enschede, [verbalisant 12] , agent van gemeentepolitie te Enschede, [verbalisant 3] , wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, [verbalisant 13] , wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, en [verbalisant 1] , wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, inhoudende het relaas van bevindingen van voormelde verbalisanten, danwel één of meer hunner, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Hierbij verklaar ik, [verbalisant 7] , dat op 22 november 1986 mij werd medegedeeld dat in de nacht van 21 op 22 november 1986 een inbraak was gepleegd bij de firma [A] , [e-straat 1] te Borne waarbij
dekbedovertrekken, handdoeken en theedoeken waren weggenomen. Daarbij zou ook een in het magazijn van deze firma staande dubbelassige aanhangwagen, in eigendom van dat bedrijf, zijn ontvreemd. Vermoedelijk is deze gebruikt voor het vervoeren van de buit. Tevens werd mij verteld dat de Bornse politie de morgen na de inbraak in de buurt van de firma [A] in het centrum van Borne een de nacht daarvoor gestolen bestelauto van het merk Daihatsu had aangetroffen. Ik, [verbalisant 7] , begaf mij naar de [d-straat 1] in de wijk […] te [plaats] .
Ik wist dat in die straat op [d-straat 1] het tweetal [betrokkene 4] en [betrokkene 2] woont. Op 22 november 1986 te 15.45 uur zag ik op een parkeerplaats tussen de percelen [d-straat 2] en [d-straat 3] te [plaats] een dubbelassige aanhangwagen staan met een zilverkleurig zeil over de huif.
Ik zag aan uitstulpingen in het zeil dat de aanhangwagen tot bovenin beladen was.
Ik liep om de aanhangwagen en zag dat daaraan een kentekenplaat bevestigd zat met het [kenteken 1] . Ik nam vervolgens contact op met het informatiecentrum van de gemeentepolitie te Enschede waar men mij vertelde dat dit kenteken op naam stond van de firma [A] te Borne.
Ik vermoedde derhalve dat dit de in de voorgaande nacht gestolen aanhangwagen was met daarin de buit van de inbraak bij deze firma. Ik liet vervolgens enkele rechercheurs komen teneinde te kunnen constateren wie de aanhangwagen mee zou nemen.
Ik vermoedde namelijk dat het gestolen goed naar een heler of een opslagruimte gebracht zou gaan worden en dat degene(n) die met de aanhangwagen zou(den) gaan rijden de dief(ven) was (waren). Het was mij bekend dat [betrokkene 2] gebruik maakt van een beige Peugeot 504, kenteken [kenteken 2] , voorzien van een trekhaak, en [betrokkene 4] van een blauwe Austin mini, kenteken [kenteken 3] .
Terwijl de aanhangwagen in ons zicht bleef, trad de duisternis in. Om 17.45 uur zagen wij, [verbalisant 7] en [verbalisant 9] , de genoemde Peugeot met daaraan gekoppeld voormelde aanhangwagen over de [f-straat] in de gemeente [plaats] rijden, in de richting van [plaats] . Bij de kruising met de [g-straat] zagen wij deze combinatie rechtsaf richting [plaats] rijden over de [h-straat] .
Even later zagen wij de genoemde Austin mini van [betrokkene 4] met het kenteken [kenteken 3] over de [h-straat] te [plaats] , richting stad [plaats] rijden Wij probeerden deze auto's te volgen. Wij zagen te omstreeks 18.05 uur de Austin mini met het kenteken [kenteken 3] geparkeerd staan aan de rechterzijde van de [c-straat] te [plaats] . Er zaten geen personen meer in die auto. Ongeveer 50 meter verder in de richting van de [i-straat] zagen wij de Peugeot en de aanhangwagen op een. oprit tussen de percelen [c-straat] [1] en [2] staan. Deze oprit leidt, naar een vijftiental garageboxen. Naast deze oprit ligt een tweede oprit naar een verderop gelegen bejaardencentrum.
Deze beide opritten zijn van elkaar gescheiden door een manshoge afrastering van gaas en enig bosschage.
Ondertussen had ik, verbalisant [verbalisant 7] , ook de collega's van de geuniformeerde dienst van de gemeentepolitie te [plaats] gealarmeerd die eveneens ter plaatse kwamen.
Ook wij, [verbalisant 8] en [verbalisant 10] , zagen op genoemde oprit de genoemde Peugeot en de aanhangwagen staan.
Wij, verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] verlieten ons dienstvoertuig en zagen dat op de bestuurdersplaats van deze Peugeot een persoon zat. Ik, verbalisant [verbalisant 10] , hoorde de afrastering tussen de opritten klapperen en ik zag een persoon erover heen klimmen.
Ik verbalisant [verbalisant 10] , zag dat deze persoon in het zand in de bosschage sprong en dat hij vervolgens van mij weg rende over de oprit naar het bejaardencentrum in de richting van […] .
Ik kon hem vanwege de duisternis niet herkennen.
Vervolgens liepen wij, verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 8] , naar de Peugeot en hielden op zaterdag 22 november 1986 te omstreeks 18.10 uur op de oprit naar de garageboxen tussen de percelen [c-straat] [1] en [2] als verdacht van diefstal door middel van braak in vereniging gepleegd de man die op de bestuurdersplaats zat, aan.
Deze verdachte gaf op te zijn genaamd [betrokkene 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats] , [j-straat 1] .
Ondertussen zochten wij, verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 9] , samen met een aantal collega's de omgeving van het bejaardencentrum en het daarachter gelegen Volkspark af naar andere verdachten met name [betrokkene 2] en Th. [betrokkene 4] .
Op 22 november 1986 te omstreeks 18.20 uur zagen wij, [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , de verdachte [betrokkene 2] aan de andere zijde van […] op de hoek van […] en […] te [plaats] .
In samenwerking met twee rechercheurs hielden wij op 22 november 1986 te 18.21 uur op deze plaats als verdacht van diefstal door middel van braak in vereniging gepleegd verdachte [betrokkene 2] aan.
De verdachte gaf op volledig te zijn genaamd: [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats] , [j-straat 1] . Op 22 november 1986 te omstreeks 18.25 uur zagen wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 13] en [verbalisant 1] , op de […] ter hoogte van de voetbalvelden van de voetbalvereniging [D] te [plaats] verdachte [betrokkene 4] lopen.
Op dat tijdstip en op die plek hielden wij de verdachte [betrokkene 4] als verdacht van diefstal door middel van braak in vereniging gepleegd, aan. De verdachte [betrokkene 4] gaf op volledig te zijn genaamd: [betrokkene 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats] , [d-straat 1] .
Op 22 november 1986 nam ik, verbalisant [verbalisant 7] , op de [c-straat] te [plaats] de dubbelassige aanhangwagen met het zilverkleurige zeil over de huif met de daarin liggende inhoud bestaande uit dekbedovertrekken, handdoeken en theedoeken in beslag.
9. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 6 januari 1987 (T.16/rood 64), opgemaakt door [verbalisant 1] , wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, behoren tot de taktische recherche van de Rijkspolitie in het district Zwolle, voor zover inhoudende het - zakelijk weergegeven - relaas van verbalisant:
In de nacht van 21 op 22 november 1986 vond er bij de firma [A] te Borne een inbraak plaats.
In de nabijheid van de winkel, waarin de inbraak plaats vond, werden een personenauto, merk Daihatsu, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , aangetroffen en een groenkleurige aanhangwagen, voorzien van een dichte houten opbouw met een kunststof dak.
Op 26 november 1986 omstreeks 14.30 uur toonde ik aan [betrokkene 5] , wonende te [plaats] , [k-straat 1] de bovenbedoelde aanhangwagen.
Hij verklaarde: "Deze aanhangwagen behoort mij in eigendom toe"
10. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindende op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 november 1986, (T.16/rood 15), opgemaakt door [verbalisant 14] , hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] , voor zover inhoudende de verklaring van aangever [betrokkene 9] :
Tussen 20 november 1986 te 17.30 uur en 21 november 1986 te 08.00 uur is te [plaats] mijn Daihatsu, type mini bestel 850, gekentekend [kenteken 4] weggenomen.
Aan niemand werd toestemming gegeven tot het plegen van het delict.
11. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 24 november 1986, (T16/rood 78 e.v.), opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 9] respectievelijk wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Borne en hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] , voor zover inhoudend de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 5] :
Op 20 november 1986 vroeg [betrokkene 4] mij wat ik met de autobox aan de [c-straat] in Enschede deed.
Hij had interesse voor die box.
Hij zei dat hij mij de komende week f 100, -- zou geven voor de overname van de box en dat hij de box op naam zou zetten.
Ik ben hiermee accoord gegaan.
12. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 27 november 1986, (T.16/rood83 e.v.), opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 15] respectievelijk wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Borne en hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] , voor zover inhoudende, de zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 5] :
In de week van 17 tot en met 23 november 1986 heb ik diverse malen contact gehad met [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] .
Op 19 november 1986, omstreeks 17.00 uur, kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] bij mij voor de deur.
[betrokkene 3] stelde mij toen de volgende vraag: "Kan ik jouw aanhanger niet even gebruiken?"
Ik stemde toe in het gebruik van mijn aanhanger.
Diezelfde avond heeft [betrokkene 2] de aanhanger tezamen met [betrokkene 3] opgehaald.
Zij waren toen met de Peugeot. Op 20 november. 1986 ben ik naar [plaats] gereden.
Ik wilde even kijken in [plaats] of de aanhanger van mij daar ook stond.
Aangekomen op de parkeerplaats achter de woning van [betrokkene 4] keek ik eerst of mijn aanhanger er stond.
Ik zag nergens mijn aanhanger staan.
Ik heb [betrokkene 4] naar de aanhanger gevraagd.
Er is mij ook niet verteld waar de aanhangwagen van mij stond. [betrokkene 4] vertelde wel dat de aanhanger ergens anders stond. Op 21 november 1986 ben ik naar de woning van [betrokkene 4] in [plaats] gereden.
Aldaar gekomen zag ik dat in de woonkamer [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zaten Bij mijn binnenkomst ben ik over mijn aanhanger beginnen te praten, omdat ik ook toen de aanhanger niet zag staan. [betrokkene 3] wees mij er toen vervolgens op dat ik niet zo moeilijk over die aanhanger moest doen omdat ik mijn aanhanger wel terug zou krijgen. Voordat ik naar huis ging, heb ik de sleutel van de garagebox nr. […] aan de [c-straat] in [plaats] op de tafel gelegd, waarbij ik hen mededeelde dat de aanhanger daarin geplaatst moest worden.
Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 maart 1987. zakelijk weergegeven:
Op de avond van de 14e oktober 1986 ben ik naar [betrokkene 8] te [plaats] gegaan en heb bij hem een tas met snijapparatuur opgehaald. Het is juist dat ik in de periode van 13 oktober 1986 tot en met 17 oktober 1986 eigenlijk op vakantie was in Slagharen.
2. Het zich in de ordner met cijfer I, bevindende ambtsedig proces-verbaal d.d. 23 januari 1987, (T. 18/rood 2 e.v. ) opgemaakt door voornoemde verbalisanten [verbalisant 16] en [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als, zakelijk weergegeven, relaas van verbalisanten:
Op 15 oktober 1986 werd namens assurantiekantoor [B] B.V., gevestigd [a-straat 1] te [plaats] , aangifte gedaan van diefstal uit genoemd kantoor.
Een in de muur gemetselde brandvrije kast was opengebrand.
Uit de verklaringen van de verdachte [betrokkene 5] en de verklaringen van de getuigen [betrokkene 10] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] blijkt, dat de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] op 14 oktober 1986 omstreeks 18.00 uur bij de woning van de verdachte [betrokkene 8] en de woning van getuige [betrokkene 10] zijn geweest. Men heeft toen een tas, inhoudende de benodigde snij-apparatuur met toebehoren meegenomen.
Deze tas, zijnde een zwarte tas met bruine hengsels, was daar omstreeks 7 oktober 1986 heen gebracht door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Na het in ontvangst nemen van de benodigde apparatuur gingen de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] richting [plaats] .
Op 14 oktober 1986 omstreeks 18.40 uur werd door het rechercheteam geconstateerd dat de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] in de [l-straat] te [plaats] een flat observeerden. In verband met deze diefstal zijn er telefoongesprekken gevoerd, die op de kluiskraak bij [B] betrekking hadden.
Gesprek 1: betreft gesprek tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 6] over het brengen van de tas, waarin zich de snijapparatuur bevond. (gesprek d.d. 14 oktober 1986, 17.55 uur).
Gesprek 2: Gesprek tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 6] waaruit blijkt dat [betrokkene 8] op de hoogte was dat de brandkast gekraakt zou worden. (d.d. 16 oktober 1986, 18.31 uur).
Gesprek 3: Gesprek tussen getuige [betrokkene 6] en [betrokkene 11] , waarin getuige [betrokkene 6] bevestigt dat [betrokkene 8] van plan was cm de kraak met [betrokkene 3] te plegen, doch dat [betrokkene 3] deze vanuit Slagharen nu met [verdachte] heeft gepleegd en is hier verbolgen over. (d.d. 16 oktober 1986, 20.11 uur).
Gesprek 4: [betrokkene 8] wordt gebeld door [betrokkene 3] , die hem zegt dat hij dinsdag niet thuis was. [betrokkene 3] deelt [betrokkene 8] in bedekte termen mede dat het in [plaats] ( [l-straat] ) niets is geworden maar dat het wat anders is geworden. (d.d. 17 oktober 1986, 20.49 uur).
Een copie van bovenstaande gesprekken maakt. deel uit van dossier 9.
3. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 15 oktober 1986, (T. 18/rood 7) opgemaakt door [verbalisant 17] , hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Enschede, inhoudende de, zakelijk weergegeven, verklaring van aangever [betrokkene 12] :
Tussen dinsdag 14 oktober 1986 te 18.00 uur en woensdag 15 oktober 1986 te 08.30 uur is te [plaats] , [a-straat 1] in het kantoorpand van [B] B.V., waarvan ik direkteur ben, ingebroken. Daarbij is de in de muur gemetselde brandkast opengebrand en daaruit is f 18.000,13 ontvreemd. [B] B.V. is de eigenaar van het gestolen geld. Aan niemand werd toestemming gegeven tot het plegen van het delict.
4. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 12 januari 1987 (T. 18/rood 9), opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagentrechercheur van gemeentepolitie Enschede, inhoudende de, zakelijk weergegeven, aanvullende verklaring van aangever [betrokkene 12] :
Ik kan U verklaren, dat het bij de aangifte opgegeven geldsbedrag van f 18.000, -- niet geheel uit contanten heeft bestaan. Bij dit geldsbedrag is een schuldbekentenis en een aantal cheques inbegrepen tot een totaalbedrag van om en nabij f 5.000, -- , zodat het totale geldsbedrag in contanten ongeveer f 13.000, -- moet zijn geweest.
5. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 januari 1987, (T. 18/rood 27 e.v. ) opgemaakt door [verbalisant 9] en [verbalisant 13] , respectievelijk hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] en wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, groep Borne, inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [betrokkene 5] :
In de maand juni/juli 1986 ben ik samen met [betrokkene 3] naar [B] in de [a-straat] gegaan. Ik heb daar aan de boekhouder mijn opstalverzekering betaald. [betrokkene 3] was op dat moment ook bij de boekhouder.
Ik heb aan de boekhouder geld overhandigd, waarna deze naar een kluis liep. Deze kluis was in een muur ingebouwd.
[betrokkene 3] heeft toen ook gezien dat de boekhouder uit een kluis wisselgeld pakte.
Hierna zijn wij naar buiten gegaan.
Toen wij buiten kwamen, zei [betrokkene 3] tegen mij: "dat was een mooi kluisje en dat is nog wel makkelijk los te krijgen.".
[betrokkene 3] heeft mij nog gevraagd of ik ook wist of de inhoud van de kluis naar de bank werd gebracht.
Daar ik echter maar een paar keer in het jaar bij [B] kom, wist ik dit niet.
Na die tijd is er nog wel eens over de kluis van de [a-straat] gesproken. [betrokkene 3] was altijd de eerste spreker daarover.
De gesprekken over de kluis vonden dan plaats in de woning van mij en in een café.
[betrokkene 3] maakte wel steeds de opmerking dat het bijzonder moeilijk voor hem was om bij [B] binnen te komen.
Op een gegeven moment vertelde [betrokkene 3] mij, dat hij met [betrokkene 8] of [betrokkene 4] was wezen kijken bij genoemd bedrijf.
Ook [betrokkene 4] heeft mij naar de kluis van de [a-straat] gevraagd.
Ik moet daarbij verklaren dat in augustus 1986 zowel [verdachte] als [betrokkene 3] mij 10% toezegde als ik hen een goede kluis met inhoud doorgaf.
Ik vermoed dat [betrokkene 3] het verhaal over de kluis aan de [a-straat] aan [verdachte] heeft doorverteld.
Later vertelde [betrokkene 3] mij dat hij van plan was om met [betrokkene 8] de kluis van [B] te pakken.
Ik moet U verklaren dat ik [betrokkene 3] en [verdachte] in de vroege avonduren van de dinsdag voor de kluiskraak heb getroffen op de [m-straat] in [plaats] .
Zij waren met een Renault 15.
Ik heb zowel met [betrokkene 3] als [betrokkene 4] gesproken.
Ik vond het vreemd dat ik beide heren hier tegen kwam omdat ik wist dat beide heren in Slagharen moesten zitten.
Op woensdag las ik in de krant dat er bij [B] in de [a-straat] een kluiskraak was gepleegd, waarbij f 18.000, -- was buitgemaakt.
Toen ik die avond bij [betrokkene 6] , de vrouw van [betrokkene 8] , binnenkwam, vertelde [betrokkene 6] mij dat [betrokkene 3] een kluis gepakt had. [betrokkene 6] vertelde mij dat de kluis van [B] aan de [a-straat] door [betrokkene 3] gepakt was met een ander, en wel [betrokkene 4] .
[betrokkene 6] was kwaad omdat [betrokkene 8] er niet bij geweest was. Op 17 oktober 1986 heb ik [betrokkene 4] gezegd dat [betrokkene 6] boos was omdat [betrokkene 3] die kluis met [betrokkene 8] zou pakken.
[betrokkene 4] vertelde mij toen dat hij met [betrokkene 3] inderdaad die kluis had gekraakt.
[betrokkene 4] vertelde mij toen ook dat er veel minder had ingezeten dan de f 18.000, -- die in de krant had gestaan.
Hij dacht dat ze dat bedrag hadden opgegeven cm de verzekering te flessen.
6. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 januari 1987, (T. 18/rood 19 e.v. ) opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , respectievelijk wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Haaksbergen en hoofdagente-rechercheur van gemeentepolitie te Almelo, inhoudende als zakelijk weergegeven, verklaring van [betrokkene 1] :
Op 13 oktober 1986 zijn wij, [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , mijn kinderen en ik, samen met de familie [betrokkene 3] naar een huisje in ponypark "Slagharen" gegaan.
Op dinsdag 14 oktober 1986 omstreeks 17.00/17.30 uur zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 4] weggegaan vanaf het ponypark met de auto van [betrokkene 3] , te weten een Renault 15.
Ik wist dat de heren van plan waren in [plaats] een overval te plegen.
Deze overval is niet doorgegaan omdat de situatie in [plaats] anders was dan de informatie die zij hadden verkregen en omdat [betrokkene 4] de zaak niet vertrouwde. Op 15 oktober 1986 omstreeks 06.00 uur heb ik de mannen voor het eerst weer gezien. Eerder is men niet in het huisje geweest anders had ik het vast en zeker wel bemerkt, want ik sliep in de kamer van het huisje. Ik doe een oog open en zie ze dus het huisje binnenkomen. Op een vraag van mij vertelde [betrokkene 4] dat [betrokkene 3] en hij bij [betrokkene 5] waren geweest.
7. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindend telefoonjournaal, behorend bij het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 januari 198 en als copie deel uitmakende van dossier 3, (T. 15/rood 1 e.v. ) opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagentrechercheur van gemeentepolitie te Almelo, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Vervolgblad telefoon journaal.
Tijdstip: 17.55 uur. I
M: [betrokkene 6] , [betrokkene 3] is hier.
D: Ja, weet ik, [betrokkene 8] is er niet, zeg dat maar.
M: Ja nou. Hij had een tas nodig.
D: Oh, wacht maar even dan breng ik hem daar wel even heen.
Vervolgblad telefoon journaal.
Tijdstip: 18.31 uur. II
M: Heb je de krant gelezen?
D: Nee. M: Het staat er volgens mij wel in.
M: [a-straat] , dat Makelaarskantoor. Brandkast. [betrokkene 8] zei dat.
D: Ik kom er wel even aan, dan kan ik ook dat stukje lezen.
Vervolgblad telefoon journaal.
Tijdstip: 20.11 uur. III
D: Heb je de krant nog gelezen? J: Nee, wat dan?
D: Heb je een krant? J: Ja beneden.
D: Dan moet je eens goed lezen.
J: Over wie.
D: [betrokkene 3] , [betrokkene 3] .
J: Ja eh, in welke plaats.
D: Hier in [plaats] .
J: Hij is toch in Slagharen.
D: Ja een kluis. f 18.000, -- zat er in.
J: en hebben ze hem gepakt.
D: Ja.
J: Je bent gek.
D: Ja.
J: Weet [betrokkene 8] dat al?
D: Nee.
D: Ik dacht dat kan niet want ze zitten ja in Slagharen.
J: Heeft hij dat alleen gedaan of met die andere.
D: Met die andere, want hij kan er nog niets van.
J: En hebben ze die andere ook gepakt.
D: Nee, ze hebben hem niet gepakt.
J: Je weet zeker dat zij dat gedaan hebben.
D: Ja, tuurlijk weet ik dat.
D: Maar dat geintje wilde hij toen met [betrokkene 8] doen.
J: En.
D: En nu heeft hij het met die andere gedaan. Want er was er een en die belde mij op en zegt heb je de krant gelezen. [betrokkene 3] is dat geweest dat en dat f 18.000, --. Je bent gek. Ik heb toen die stukken meegenomen om te kijken wat er in staat en dat druk ik straks [betrokkene 8] onder de neus. Hier [betrokkene 8] dat is jouw beste kameraad.
Hij wou het met jou doen en nu doet hij het gauw met een ander.
J: De maten weet je he, en dan zijn zij ook gewoon teruggegaan naar Slagharen he.
D: Ja tuurlijk.
J: Ja ja.
D: En nu zitten ze een week lang in Slagharen.
J: Ja. Dan hebben ze het mooi in orde.
D: Of niet dan f 18.000, --. Bij de verzekeringsmaatschappij in de [a-straat] .
D: Ieder f 9.000, --.
J: Oh, lekker he.
D: Nou nou wat een handel he. Wat zal [betrokkene 8] de balen hebben he.
Vervolgblad telefoonjournaal.
Tijdstip: 20.49 uur. IV
G: Ie waren dinsdag ook mooi pleiter of nie?
H: Watte?
G: Ie waren dinsdag ook mooi pleiter of nie?
H: Dinsdag?
G: Ja.
H: Ja, ik bin dinsdag deurzakt man kom nou even!
G: Ja noh, noh ja, dat maakt ja niks uut, want eh, het was, het is ook weer wat anders geworden.
H: Ja? G: Ja tuurlijk.
H: Ja dat weet ik wel wat het is geworden.
G: Ja, nee, dat is niks geworden.
H: Nee, dat andere, ie hebt wa wat had van de week.
G: Hè? H: Ie hebt wa wat had of nie?
G: Nou ja, ja, ja dat weet ik wa.
8 Het zich in de ordner, met cijfer I. bevindend ambtsedig proces-verbaal d.d. 8 januari 1987. (T. 18/rood 15 e.v. ), opgemaakt door [verbalisant 18] en [verbalisant 19] , respectievelijk hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] en wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie, groep Borne, inhoudende de, zakelijk eergegeven, verklaring van [betrokkene 13] :
Op 16 oktober 1986 werd ik door [betrokkene 10] gebeld, die mij vertelde dat er iets in de krant stond, waarna ik naar [betrokkene 10] ben gegaan. Ik heb toen het stukje in de krant gelezen.
In de krant stond omschreven dat er in de [a-straat] in [plaats] een brandkast was open gebroken.
Ik was er mee op de hoogte dat mijn ex-man [betrokkene 8] en [betrokkene 3] deze kluis zouden pakken. Enige dagen voordat er een kluis werd opengebrand heeft [betrokkene 10] mij gebeld over een tas die [betrokkene 3] daarna diezelfde dag nog bij mij heeft opgehaald.
9. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevinden op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 januari 1987. (T. 18/rood 13 e.v. ) opgemaakt door [verbalisant 20] en [verbalisant 6] , respectievelijk hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Almelo en wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Haaksbergen, inhoudende als zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1] :
Op 7 oktober 1986 kregen we van [betrokkene 3] te horen dat [betrokkene 4] vast zat bij de politie.
Hierop reden we naar huis en [betrokkene 2] haalde uit de schuur een blauwe fles, waarin gas of zuurstof zat. Normaal zat die fles in de tas bij de snij-apparatuur. Dit is een zwarte weekendtas met bruine hengsels. Met de auto van [betrokkene 2] , de Peugeot, zijn we weggereden om die fles ergens heen te brengen. Wij besloten naar [betrokkene 8] te rijden. Toen we bij [betrokkene 8] in de kamer waren, zeiden we dat in de auto een fles lag die eigenlijk weg moest.
[betrokkene 8] stelde toen voor dat hij die fles wel zou verdonkermanen. [betrokkene 8] heeft hierop de fles in de kast onder het aquarium gelegd. Nadat [betrokkene 4] weer in vrijheid werd gesteld, heb ik uiteraard wel tegen hem gezegd dat we die bewuste fles naar [betrokkene 8] heen hadden gebracht.
10. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindende ambtsedig proces-verbaal d.d. 14 januari 1987 (T. 18/rood 17) opgemaakt door [verbalisant 3] en. [verbalisant 4] , respectievelijk wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie en hoofdagentrechercheur van gemeentepolitie te Enschede, inhoudende als zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 10]:
Ik kan mij herinneren, dat [betrokkene 3] op een avond in de maand oktober 1986 bij mij is geweest om te vragen naar een tas, die bij [betrokkene 8] in huis stond. [betrokkene 3] kwam binnen en vroeg enkel en alleen of ik [betrokkene 6] [betrokkene 8] wilde bellen om te vragen naar een tas die daar stond.
Ik heb enkel en alleen naar [betrokkene 6] gebeld en gezegd dat [betrokkene 3] er was, die de tas wilde hebben.
11. Het zich in de ordner, met cijfer I, bevindende ambtsedig proces-verbaal d.d. 16 december 1986 . (T. 18/rood 25) opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 9] , respectievelijk wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Borne en hoofdagent van gemeentepolitie te [plaats] , inhoudende als zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 8] :
Bij mij thuis heeft een tas gestaan van [betrokkene 4] .
5. Beoordeling van het eerste middel, voorgesteld door de raadsman
Naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman gevoerd verweer heeft het Hof overwogen en beslist:
Overwegende, dat de raadsman heeft aangevoerd dat de gegevens verkregen door het afluisteren van telefoongesprekken op de voet van art. 125g Sv. slechts tot het bewijs mogen meewerken voor zover zij zijn verkregen door het afluisteren van telefoongesprekken, welke kwalificatie niet kan worden gegeven aan het op 20 november 1986 van omstreeks 20.47 uur tot 21.01 uur afgeluisterde gesprek, hetwelk plaatsvond in het perceel [d-straat 1] te Hengelo, waarbij onder andere verdachte aanwezig was en waarbij een grote textieldiefstal werd beraamd;
Overwegende, dat het hof dit verweer verwerpt;
dat weliswaar het afluisteren en opnemen van het in de nabijheid van een nog "open" telefoonverbinding gevoerde gesprek van verdachte en zijn medeverdachten niet begrepen kan worden onder de in artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering gegeven bevoegdheid, doch, nu het aldus toevallen van bewijsmateriaal aan verbalisanten geheel door toedoen van verdachte en zijn medeverdachten is geschied en betrekking had op een ernstig strafbaar feit, niet gezegd kan worden dat het op deze wijze verkregen bewijs als onrechtmatig verkregen moet worden beschouwd.
Aldus heeft het Hof het verweer verworpen op gronden welke die beslissing kunnen dragen, met dien verstande dat de ernst van het beraamde feit bij de beoordeling van het verweer niet van invloed kan zijn. 5.3.1. Omtrent de in de toelichting op het middel onder k vervatte klacht heeft de Advocaat-Generaal in zijn conclusie het volgende opgemerkt:
20. Ook de tweede klacht faalt naar mijn mening. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen, waaronder de inhoud van het gesprek dat de opsporingsambtenaren toevallig ter ore is gekomen (bewijsmiddel 4), in onderling verband bezien, het bewezenverklaarde onder 1 kunnen afleiden.
21. Het hof heeft in het bijzonder uit de inhoud van het toevallig gehoorde gesprek, uit de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal van 7 januari voor 1987, zover behelzend verklaringen van [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 6 en 7), uit de bevindingen van de verbalisant in het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van 22 januari 1987 2), (bewijsmiddel in het bijzonder de daarin vermelde omstandigheid dat de personenauto van verzoeker de geobserveerde 27 aanhangwagen volgde, en uit het proces-verbaal van november 1986, voor zover behelzende de verklaring van [betrokkene 5] , kunnen afleiden dat verzoeker bij de voorbereiding en de uitvoering van de onder 1 telastegelegde diefstal-ik volg nu de bewoordingen van HR 29 november 1988, nr. 83.622- zo volledig en nauw met anderen heeft samengewerkt dat hij tezamen en in vereniging met anderen de diefstal heeft begaan.
De klacht faalt om de redenen vermeld in de conclusie van het Openbaar Ministerie.
Het middel is mitsdien tevergeefs voorgesteld.
6. Beoordeling van de middelen voorgesteld door de verdachte en van het tweede middel, voorgesteld door de raadsman
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
7. Beoordeling van het bestreden arrest naar aanleiding van het derde middel, voorgesteld door de raadsman, en ambtshalve
Het Hof heeft ter motivering van de hiervoren onder 1 vermeldde strafoplegging overwogen:
Overwegende, dat het hof na te melden straf in overeenstemming acht met de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. gelijk van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken,
dat in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte in het verleden reeds bij herhaling met de strafrechter (o.a. terzake van vermogensmisdrijven) in aanraking is gekomen, alsmede de omvang van de aan de benadeelden toegebrachte schade de redenen opleveren die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur hebben geleid;
Overwegende, dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen, te weten een zwarte stoffen tas met bruin lederen draaghengsels met als inhoud snij-apparatuur en toebehoren, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het telastegelegde en bewezenverklaarde feit 3 met behulp van deze voorwerpen is begaan en deze aan verdachte toebehoren, waarbij het hof de draagkracht van verdachte in aanmerking heeft genomen
Geen rechtsregel schrijft voor dat, indien in hoger beroep voor twee feiten eenzelfde straf wordt opgelegd als in de eerste aanleg werd opgelegd voor drie feiten, zulks bijzondere motivering behoeft. Het middel treft derhalve geen doel.
Blijkens de zich bij de stukken bevindende vordering van de Procureur-Generaal heeft deze ter terechtzitting in hoger beroep geëist dat het Hof zal bewezenverklaren hetgeen aan de verdachte is telastegelegd onder 1, 2 en 3, en de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van twee jaren alsmede verbeurdverklaring van een gedeelte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Door de hiervoren onder 1 vermelde straf op te leggen voor de aldaar vermelde feiten heeft het Hof een hogere straf opgelegd dan door de Procureur- Generaal is gevorderd. Door de straf te motiveren als hiervoren onder 7.1 is weergegeven heeft het Hof het op straffe van nietigheid gegeven voorschrift van art. 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering, te dezen ingevolge art. 415 van dat Wetboek van overeenkomstige toepassing, niet nageleefd.
8. Slotsom
Het evenoverwogene brengt mede dat het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen. De Hoge Raad oordeelt geen andere gronden dan hiervoren onder 7.4 is vermeld aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
9. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat de strafoplegging betreft en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden ten einde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren De Waard, Jeukens, Mout en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 21 maart 1989.