Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 14 oktober 1997 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 1997
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
105.397 E
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1997:ZD0820
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 20 mei 1997

    ECLI:NL:PHR:1997:58
  2. Hoge Raad · 14 oktober 1997deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1997:ZD0820

Uitspraak

14 oktober 1997

Strafkamer

nr. 105.397 E

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 16 september 1996 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Politierechter heeft de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie en aangewezen als strafbaar feit" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

4. Bewezenverklaring

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat :

"hij op 10 april 1995 te [geboorteplaats], als persoon die een onderneming dreef waarvoor het Produktschap voor Vee en Vlees was ingesteld en als ondernemer als bedoeld in artikel 3 onderdeel a van de Verordening PVV kwaliteitscontrole rundersector 1994 (houder van runderen) niet heeft voldaan aan zijn verplichting alle medewerking te verlenen met betrekking tot de uitoefening van het toezicht volgens het bepaalde bij of krachtens genoemde Verordening, met name heeft hij geen medewerking verleend bij het nemen van urinemonsters van op zijn bedrijf aanwezige runderen".

5. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing

5.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Economische Politierechter houdt, voorzover thans van belang, het volgende in:

"De officier van justitie voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan de economische politierechter over.

( . . . )

De raadsman voert het woord tot verdediging

( . . . ) .

"De officier van justitie antwoordt hierop

( . . . ) .

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken".

5.2. Door of namens de verdachte is in cassatie - terecht - niet de klacht opgeworpen dat de artikelen 331, eerste lid, en art. 311, vierde lid, Sv zijn geschonden op de grond dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat, nadat de Officier van Justitie andermaal het woord had gevoerd, ook aan de raadsman het recht is gelaten het laatst te spreken.

Anders dan de Hoge Raad tot nu toe heeft geoordeeld houden die bepalingen niet in dat aan de raadsman, evenals aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, doch vloeit uit die bepalingen slechts voort dat aan de raadsman de bevoegdheid toekomt om het laatst te spreken.

Het moet er in het onderhavige geval dan ook voor worden gehouden dat de raadsman van die bevoegdheid geen gebruik heeft willen maken.

6. Beoordeling van het middel

6.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte aan wie is telastegelegd en ten laste van wie is bewezenverklaard dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting alle medewerking te verlenen - met name bij het nemen van urinemonsters van op zijn bedrijf aanwezige runderen - met betrekking tot de uitoefening van het toezicht volgens het bepaalde bij de op art. 93 van de Wet op de bedrijfsorganisatie gebaseerde Verordening PVV Kwaliteitscontrole Rundersector 1994 en het op de Verordening steunende Uitvoeringsbesluit Verordening PVV Kwaliteitscontrole Rundersector 1994.

6.2.1. Art. 2 van de Verordening houdt in:

"Het toezicht vanwege het produktschap op de naleving van het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4 van de Verordening verbod toediening bepaalde stoffen met hormonale werking 1987 (P. V. V. ) , alsmede in de artikelen 2, 3 en 4 van de Verordening stoffen met sympathico mimetische werking 1991 (P.V.V.), vindt bij runderen plaats volgens het gestelde bij of krachtens deze verordening" .

6.2.2. In art. 3 van de Verordening is, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende bepaald:

"Het toezicht kan het volgende betreffen:

a. bij de houder van runderen:

het nemen en analyseren van monsters van urine (. .. ) van op het bedrijf aanwezige runderen".

6. 2.3. Art. 7 van de Verordening luidt :

"De ondernemers, als bedoeld in art. 3 onderdeel a en b, zijn verplicht alle medewerking te verlenen met betrekking tot de uitoefening van het toezicht volgens het bepaalde bij of krachtens deze verordening".

6.2.4. Art. 3, lid 4, van het Uitvoeringsbesluit luidt :

"Controleurs hebben de bevoegdheid de ruimten en terreinen van de desbetreffende ondernemer te betreden voorzover dat voor een correcte uitvoering van het toezicht noodzakelijk is".

6.3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Economische Politierechter houdt als verklaring van de verdachte in:

"Op 10 april 1995 heb ik te [geboorteplaats], als persoon die een onderneming dreef waarvoor het Produktschap voor Vee en Vlees was ingesteld en als ondernemer als bedoeld in artikel 3 onderdeel a van de Verordening PVV kwaliteitscontrole rundersector 1994 (houder van runderen) niet voldaan aan mijn verplichting alle medewerking te verlenen met betrekking tot de uitoefening van het toezicht volgens het bepaalde bij of krachtens deze Verordening.

Ik heb de 3 controleurs van de K.C.R. op die datum geweigerd op mijn boerderij waar zij urinemonsters kwamen nemen. Ik heb hun meegedeeld: 'Je komt er niet in'.

Later die dag heb ik ze wel toegelaten.

Ik stond de monstername niet toe tenzij zij mij de uitslag op papier zouden geven van eerdere monsters en dit wilden zij niet. Ik betaal steeds en ontvang er niets voor terug. Ik heb het later wel toegestaan vanwege de publiciteit. Zo krijg ik misschien toch mijn recht".

Blijkens het proces-verbaal is aldaar namens de verdachte voorts het volgende verweer gevoerd:

"Alle veehouders zijn verplicht lid van het K.C.R. en betalen voor dit lidmaatschap. Hier geldt de Algemene Wet Binnentreding en deze gaat boven de in de telastelegging genoemde Verordening.

De K.C.R. is een verkapte A.ID. of overheidsinstelling en derhalve geldt deze wet ook voor hen.

De K.C.R. hadden geen machtiging en de tweede maal was er ook geen hulpofficier van justitie bij aanwezig. De binnentreding was dus onrechtmatig en al het bewijs hieruit onrechtmatig verkregen.

6.3.2. De Economische Politierechter heeft dit verweer blijkens het proces-verbaal als volgt verworpen:

"Artikel 7 van de Verordening verplicht tot medewerking".

6.4. Het middel strekt ten betoge dat de Economische Politierechter ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat slechts art. 7 van de Verordening tot alle medewerking verplichtte, aangezien deze verplichting eerst dan zou rijzen wanneer de controlerende verbalisanten aan de in acht te nemen vormvoorschriften van de Algemene wet op het binnentreden zouden hebben voldaan.

6.5. De bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden zien uitsluitend op het binnentreden (zonder toestemming) in woningen en het betreden van enkele in deze wet omschreven bijzonder plaatsen. Hieronder is niet begrepen het betreden van een (bepaalde ruimte van een) bedrijf of een onderneming voorzover (die ruimte van) dat bedrijf of die onderneming niet kan worden aangemerkt als "woning" in de zin van deze wet, dat wil zeggen een ruimte waar zich daadwerkelijk privé-huiselijk leven afspeelt (vgl. HR 3 oktober 1995, NJ 1996, 219) .

6.6. In deze is noch door de Economische Politierechter vastgesteld, noch anderszins uit de stukken van het geding zoals deze ter sprake zijn gekomen ter terechtzitting gebleken (i) dat het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk was een woning of ruimte die als woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden kan worden aangemerkt te betreden en (ii) dat de weigering van de verdachte op iets anders was gericht dan op zijn verplichting medewerking te verlenen ten aanzien van de vorenomschreven uitoefening van het toezicht. De bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden zijn in dit geval dan ook niet van toepassing.

6.7. Uit het vorenstaande volgt dat de Economische Politierechter het hiervorenweergegeven verweer terecht heeft verworpen, wat er zij van de grond waarop hij zijn verwerping heeft doen steunen. Nu de rechtsklacht faalt, behoeft de motiveringsklacht niet meer aan de orde te komen. Het middel faalt derhalve.

7. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Koster, Schipper, Corstens en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend Bogaert, en uitgesproken op 14 oktober 1987.