Strafrecht overig
Art. 239 Sr niet strijdig met art. 7 EVRM: geen vage norm. Hof: gelet op de rechtspraak van het EHRM - met…
ECLI:NL:HR:2000:AA8825 · Hoge Raad · 5 december 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2000-aa8825
Zaakgegevens
Op 5 december 2000 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 december 2000
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 01926/00
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2000:AA8825
Samenvatting
Art. 239 Sr niet strijdig met art. 7 EVRM: geen vage norm.
Hof: gelet op de rechtspraak van het EHRM - met name de arresten inzake Kokkinakis tegen Griekenland (25 mei 1993),Müller tegen Zwitserland (24 mei 1988), Hertel tegen Zwitserland (25 augustus 1998) en Hashman en Harrup tegen het Verenigd Koninkrijk (25 november 1999) - is geen sprake van strijd met art. 7 EVRM, zeker nu blijkens de jurisprudentie van de HR schennis van de eerbaarheid ex art. 239 Sr zich voordoet wanneer iemand op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, willens en wetens een onder de gegeven omstandigheden voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsende handelingen verricht. HR: aldus heeft het hof het verweer dat art. 239 Sr in strijd is met art. 7 EVRM terecht en op goede gronden verworpen
Procesgang
Hoge Raad · 5 december 2000deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2000:AA8825
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 december 2000
ECLI:NL:PHR:2000:AA8825
Uitspraak
5 december 2000
Strafkamer
nr. 01926/00
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 februari 2000, met parketnummer 23/000979-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 oktober 1998 - de verdachte ter zake van "schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd" veroordeeld tot één week gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer, inhoudende dat de strafbaarstelling van art. 239 Sr in strijd is met art. 7 EVRM.
3.2. Het Hof heeft het onder 3.1 bedoelde verweer onder het hoofd "6. De Strafbaarheid van het feit" verworpen.
3.3. Aldus heeft het Hof het verweer terecht en op goede gronden verworpen. Het middel faalt dus.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 5 december 2000.