Strafrecht overig
Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig
ECLI:NL:HR:2001:AD5210 · Hoge Raad · 27 november 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2001-ad5210
Zaakgegevens
Op 27 november 2001 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 november 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03511/00 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2001:AD5210
Procesgang
Hoge Raad · 27 november 2001deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2001:AD5210
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 november 2001
ECLI:NL:PHR:2001:AD5210
Uitspraak
27 november 2001
Strafkamer
nr. 03511/00 B
KD/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Arrondissementsrechtbank te Almelo van 11 oktober 2000,
nummer 08/201522-00, op een beklag als bedoeld in artikel 552a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door klager. Namens deze heeft mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
3.1. Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming onder klager van een auto, gekentekend [...].
Op 14 september 2000 is een klaagschrift als bedoeld in art. 552a, eerste lid, Sv binnengekomen bij de Rechtbank, strekkende tot teruggave van die auto aan klager. Dat klaagschrift is door de Rechtbank op 4 oktober 2000 behandeld, waarna de Rechtbank op 11 oktober 2000 de bestreden beschikking heeft gegeven waarbij het beklag ongegrond is verklaard.
3.2. In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat het desbetreffende voertuig reeds op 8 september 2000 was vernietigd. Daarbij doelt de Rechtbank kennelijk op een vernietiging ingevolge art. 117 Sv in verbinding met art. 10 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, in aanmerking genomen dat zich bij de stukken bevindt een brief van de Dienst Domeinen van het Ministerie van Financiën aan de Officier van Justitie, zakelijk inhoudende dat de desbetreffende auto met machtiging als bedoeld in art. 117 Sv op 8 september 2000 is vernietigd.
3.3. Art. 134, tweede lid, Sv houdt in:
"Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
(...)
c. de machtiging als bedoeld in art. 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(...)".
3.3. Gelet op het voorgaande was het beslag reeds beëindigd ten tijde van de behandeling van en de beslissing op het klaagschrift. Dat brengt mee dat de Rechtbank de klager in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk had behoren te verklaren. Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat de strafrechter later ingevolge art. 353 Sv een beslissing omtrent het inbeslaggenomen voorwerp dient te geven en dat dan, indien alsnog de teruggave zou worden bevolen en deze, zoals in een geval als het onderhavige, feitelijk niet meer mogelijk is, art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing is.
3.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel geen behandeling behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verklaart de klager alsnog niet ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2001.