Strafrecht overig
Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig
ECLI:NL:HR:2002:AD5409 · Hoge Raad · 12 februari 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ad5409
Zaakgegevens
Op 12 februari 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 februari 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 00551/00 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AD5409
Procesgang
Hoge Raad · 12 februari 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AD5409
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 februari 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AD5409
Uitspraak
12 februari 2002
Strafkamer
nr. 00551/00 B
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 augustus 1999, nummer 09/929672-97, op het bezwaarschrift van:
[de veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, inhoudende verhaal op zijn goederen.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Deze heeft een schriftuur ingezonden.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Bij tussenbeschikking van 15 mei 2001 heeft de Hoge Raad de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van drie weken na verzending van die tussenbeschikking aan zijn verplichting tot consignatie ingevolge art. 575, derde lid, Sv, te voldoen door overmaking van ƒ 778,68 op bankrekening 19.23.25.796, ten name van D.S.537A Arrondissement Den Haag, onder vermelding van kenmerk 09.926.672.97 en 99/630.
3.2. De tussenbeschikking is op 12 juli 2001 met een begeleidende brief aan de veroordeelde verzonden, zodat de veroordeelde tot en met 2 augustus 2001 de gelegenheid had om aan zijn verplichting tot consignatie te voldoen.
Blijkens een zich bij de stukken bevindende kopie van een rekeningafschrift betreffende de hiervoor vermelde
bankrekening, is voormelde rekening op 13 augustus 2001 met het voormelde bedrag gecrediteerd.
3.3. In aanmerking genomen dat als datum waarop aan de verplichting tot consignatie is voldaan, dient te gelden de datum waarop het betreffende bedrag door de crediteuren is ontvangen, kan de veroordeelde - gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven - niet in zijn beroep worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2002.