Strafrecht overig
Bewijs van aanwezigheid in door verdachte verhandelde pillen van niet nader aangeduide middelen vermeld op de…
ECLI:NL:HR:2004:AR3249 · Hoge Raad · 30 november 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ar3249
Zaakgegevens
Op 30 november 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 november 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 00540/04
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AR3249
Samenvatting
Bewijs van aanwezigheid in door verdachte verhandelde pillen van niet nader aangeduide middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Bewezenverklaring toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen a) hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de twee leveringen van een hoeveelheid pillen waarbij verdachte aanwezig was; b) dat verdachte over zijn aanwezigheid bij die ontmoetingen geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven en c) dat verdachte i.c. voor verscheidene feiten terzake handel in XTC-pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDA is veroordeeld.
Procesgang
Rechtbank 's-Gravenhage · 23 november 2001
ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6065Gerechtshof 's-Gravenhage · 21 november 2003
ECLI:NL:GHSGR:2003:AN8752Hoge Raad · 30 november 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AR3249
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 november 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AR3249
Uitspraak
30 november 2004
Strafkamer
nr. 00540/04
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 november 2003, nummer 22/000098-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond" te Krimpen aan den IJssel.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 november 2001 - de verdachte vrijgesproken van de hem bij inleidende dagvaarding onder 3 en 7 tenlastegelegde feiten en hem voorts ter zake van 1., 2., 5. en 6. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 4 primair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod" en 8. "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, bevorderen door voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van € 75.000,-- subsidiair 360 dagen hechtenis met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in de periode van 1 december 1999 tot en met 9 januari 2000 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd ongeveer 3000 en 2733 pillen, bevattende telkens hoeveelheden van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."
3.3. In de aanvulling op het verkorte arrest van het Hof is voorts overwogen:
"Bewijsoverwegingen
(...)
Ten aanzien van feit 5:
Vast is komen te staan dat het hier leveringen van 3.000 pillen (op 3 december 1999) en 2.733 pillen (op 6 januari 2000) betreft en dat de leverancier daarvan omstreeks het tijdstip van de leveringen in gezelschap was van de verdachte, die kennelijk niet de afnemer was. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven omtrent de ontmoetingen en de inhoud van de telefoontaps waaruit dit alles blijkt.
Dat het hier gaat om pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDMA, blijkt uit de overige bewijsmiddelen, mede in het licht van de andere bewezenverklaarde feiten, waaruit verdachtes betrokkenheid bij groothandel in xtc-pillen vast is komen te staan."
3.4. De bewezenverklaring is ook voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel naar behoren met redenen omkleed, in aanmerking genomen
a) hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de twee leveringen van een hoeveelheid pillen waarbij de verdachte aanwezig is geweest;
b) dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte over zijn aanwezigheid bij die ontmoetingen geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven;
c) dat de verdachte bij de bestreden uitspraak voor verscheidene feiten terzake de handel in XTC-pillen bevattende amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDA is veroordeeld.
3.5. Het middel faalt dus.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 30 november 2004.