Strafrecht overig
Weigering medewerking te verlenen ex art. 37.2 jo. 37.3 Sr. HR verwerpt klacht onder verwijzing naar…
ECLI:NL:HR:2005:AT7310 · Hoge Raad · 13 september 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-at7310
Zaakgegevens
Op 13 september 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 september 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03486/04
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AT7310
Samenvatting
Weigering medewerking te verlenen ex art. 37.2 jo. 37.3 Sr. HR verwerpt klacht onder verwijzing naar conclusie AG inhoudende: de stelling dat er geen sprake is van een weigerende observandus indien verdachte weigert in te stemmen met (voortzetting van) een klinische observatie, maar wel akkoord gaat met een ambulant onderzoek, vindt geen steun in de wetsgeschiedenis.
Procesgang
Hoge Raad · 13 september 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AT7310
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 september 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AT7310
Uitspraak
13 september 2005
Strafkamer
nr. 03486/04
IV/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 juli 2004, nummer 23/001814-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld" te Vught.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 29 april 2003 - de verdachte ter zake van "poging tot doodslag" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
2.2. Bij de Hoge Raad is een brief van de verdachte binnengekomen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan "het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht", als bedoeld in art. 37, tweede lid, Sr in verbinding met het derde lid van die bepaling, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
3.2. Het middel faalt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3 gegeven gronden.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 13 september 2005.