Strafrecht overig
Conclusie AG over overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969 als voortdurend delict en verjaring ex art. 72 Sr…
ECLI:NL:HR:2006:AX8639 · Hoge Raad · 4 juli 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2006-ax8639
Zaakgegevens
Op 4 juli 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 juli 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 02049/05
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AX8639
Samenvatting
Conclusie AG over overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969 als voortdurend delict en verjaring ex art. 72 Sr. Art. 2.1 Leerplichtwet 1969 bevat een voortdurende verplichting, die voortdurend wordt overtreden zolang van geregeld schoolbezoek geen sprake is. Dat betekent dat de verjaringstermijn eerst is beginnen te lopen nadat de periode waarin van geregeld schoolverzuim geen sprake was, ten einde is gekomen. Het hof heeft de tenlastelegging (die ziet op de periode van 1-11-01 t/m 1-8-02) zo kunnen opvatten dat sprake is geweest van een aaneengesloten periode waarin van geregeld schoolbezoek geen sprake is geweest, hetgeen verdachte als één enkel verzuim wordt aangerekend. Aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte tot aan het eind van de tenlastegelegde periode in gebreke is gebleven. De verjaringstermijn is de dag na 1-8-02 beginnen te lopen, zodat er geen reden is om de OvJ niet-ontvankelijk te verklaren als de HR vóór 2-8-06 uitspraak doet. HR: 81 RO.
Procesgang
Hoge Raad · 4 juli 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AX8639
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 juli 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AX8639
Uitspraak
4 juli 2006
Strafkamer
nr. 02049/05
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 maart 2005, nummer 22/005681-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 juli 2006.
Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.