Strafrecht overig
Profijtontneming. Schatting voordeel in geval van mededaders (2 medeplegers en 1 medeplichtige). HR…
ECLI:NL:HR:2007:AZ3305 · Hoge Raad · 16 januari 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2007-az3305
Zaakgegevens
Op 16 januari 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 januari 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00876/06 P
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:AZ3305
Samenvatting
Profijtontneming. Schatting voordeel in geval van mededaders (2 medeplegers en 1 medeplichtige). HR vernietigt onder verwijzing naar conclusie AG, o.m. inhoudend: een herhaling van de i.c. toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2006, 63 en het oordeel dat deze ook gelden bij medeplichtigheid. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat verdachte 1 mededader had en dat er 1 medeplichtige was. Dat het hof niet heeft kunnen vaststellen welk voordeel de medeplichtige heeft verkregen, biedt het hof gelet op de rechtspraak van de HR in beginsel echter niet de mogelijkheid dat voordeel zonder meer aan verdachte (en zijn mededader) toe te rekenen. Een pondspondsgewijze verdeling is bij onbekendheid van de werkelijke verdeling weliswaar niet verplicht, maar zonder nadere motivering omtrent de rol van de medeplichtige kan het hof het totale voordeel i.c. (waarin de AG bij het hof gemotiveerd een verdeling in drieën voorstond) niet aan de 2 (mede)plegers toerekenen.
Procesgang
Hoge Raad · 16 januari 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:AZ3305
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 januari 2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ3305
Uitspraak
16 januari 2007
Strafkamer
nr. 00876/06 P
AG/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 februari 2005, nummer 20/000974-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een uitspraak van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 maart 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 937.174,35.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Nieuwegein, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep - met inachtneming van het door de Hoge Raad te wijzen arrest - opnieuw te worden berecht en afgedaan. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de schatting door het Hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd omdat het voordeel is toegerekend aan twee personen terwijl dat aan drie personen had moeten worden toegerekend.
3.2. Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 tot en met 4.13 is het middel terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
4.2. De betrokkene heeft op 4 maart 2005 is beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 24 maart 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen, zal in geval van oplegging van een betalingsverplichting die overschrijding daarbij dienen te betrekken.
5. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel en het derde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 januari 2007.