Strafrecht overig

Conclusie AG over de afwijzing van een getuigeverzoek (omdat hernieuwde oproeping zinloos is) en de vraag of…

Zaakgegevens

Op 21 april 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2009
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
08/00375
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2009:BH7291
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG over de afwijzing van een getuigeverzoek (omdat hernieuwde oproeping zinloos is) en de vraag of het Hof zich (ambtshalve) rekenschap had moeten geven van de mogelijkheid de getuige via videoconferentie (ex art. 131a Sv) te horen. HR: 81 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 7 november 2007

    ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8088
  2. Hoge Raad · 21 april 2009deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2009:BH7291

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 21 april 2009

    ECLI:NL:PHR:2009:BH7291

Uitspraak

21 april 2009

Strafkamer

nr. 08/00375

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 november 2007, nummer 22/000759-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 april 2009.