Strafrecht overig
Beklag ex art. 552a Sv en beslissing op vordering tot het verlenen van verlof ex art. 552p Sv. 1…
ECLI:NL:HR:2012:BV3457 · Hoge Raad · 15 mei 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2012-bv3457
Zaakgegevens
Op 15 mei 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 mei 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/04179 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BV3457
Samenvatting
Beklag ex art. 552a Sv en beslissing op vordering tot het verlenen van verlof ex art. 552p Sv. 1. Rechtmatigheid van de inbeslagneming tijdens doorzoeking door de Rechter-Commissaris. Art. 8.2 EVRM. 2. Voorbehoud ex art. 552p.3 Sv. Ad 1. De bevoegdheid van de Rechter-Commissaris om n.a.v. een rechtshulpverzoek een woning te doorzoeken en stukken van overtuiging in beslag te nemen is neergelegd in een voor een ieder toegankelijke wettelijke regeling, die voldoende duidelijk maakt onder welke omstandigheden toepassing van deze bevoegdheid tot een inbreuk op (verdragsrechtelijk en/of grondwettelijk gewaarborgde) rechten kan leiden. Niet kan worden gezegd dat deze wettelijke regeling niet voldoet aan de in art. 8.2 EVRM gestelde voorwaarden, die inbreuk op het in lid 1 van dat artikel gewaarborgde recht rechtvaardigen. Ad 2. De bestreden beschikking houdt niet in dat aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden. Gelet daarop heeft de Rechtbank kennelijk bij vergissing bedoeld voorbehoud niet in de beschikking opgenomen. De Hoge Raad herstelt dit verzuim (vgl. HR LJN AV0350).
Procesgang
Hoge Raad · 15 mei 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BV3457
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 mei 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BV3457
Uitspraak
15 mei 2012
Strafkamer
nr. S 11/04179 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 12 augustus 2011, nummer 11/1073, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, alsmede betreffende het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin niet het voorbehoud is opgenomen dat bij de afgifte van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Franse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt; dat bedoeld voorbehoud aan het verlof wordt verbonden, en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.
2. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen wat betreft een geldtelmachine gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft voorts de vordering van de Officier van Justitie strekkende tot het verlenen van verlof de stukken van overtuiging ter beschikking te stellen van de Franse justitiële autoriteiten toegewezen en het verlof verleend, met dien verstande dat het verlof zich niet uitstrekt tot de geldtelmachine.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslagneming tijdens de doorzoeking door de Rechter-Commissaris rechtmatig is geschied. Daartoe is aangevoerd dat de wettelijke regeling op dit punt niet voldoet aan de voorwaarden waaraan ingevolge art. 8, tweede lid, EVRM, moet zijn voldaan teneinde de door de doorzoeking in de woning van de klager veroorzaakte inmenging in zijn privéleven te rechtvaardigen.
3.2. Uit de stukken blijkt dat door de Rechter-Commissaris, ter uitvoering van een door de Franse autoriteiten aan Nederland gedaan rechtshulpverzoek, een doorzoeking is gedaan in de woning van de klager waarbij goederen in beslag zijn genomen.
3.3. De bevoegdheid van de Rechter-Commissaris om naar aanleiding van een rechtshulpverzoek een woning te doorzoeken en stukken van overtuiging in beslag te nemen is neergelegd in een voor een ieder toegankelijke wettelijke regeling, die voldoende duidelijk maakt onder welke omstandigheden toepassing van deze bevoegdheid tot een inbreuk op (verdragsrechtelijk en/of grondwettelijk gewaarborgde) rechten kan leiden. Niet kan worden gezegd dat deze wettelijke regeling niet voldoet aan de in art. 8, tweede lid, EVRM gestelde voorwaarden, die inbreuk op het in het eerste lid van dat artikel gewaarborgde recht rechtvaardigen.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het derde middel
5.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte verlof heeft verleend de inbeslaggenomen stukken aan de Officier van Justitie ter beschikking te stellen zonder dat aan dat verlof het in art. 552p, derde lid, Sv genoemde voorbehoud is verbonden.
5.2. De bestreden beschikking houdt niet in dat aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden. Gelet daarop heeft de Rechtbank kennelijk bij vergissing bedoeld voorbehoud niet in de beschikking opgenomen. Het middel dat over dit verzuim klaagt, is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen (vgl. HR 7 maart 2006, LJN AV0350).
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking, doch uitsluitend voor zover daarin niet het voorbehoud is opgenomen dat bij de afgifte van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Franse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;
verbindt bedoeld voorbehoud aan het verlof;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012.