Strafrecht overig

Profijtontneming. Artt. 422 en 416.2 Sv. Nu onder de vraag van art. 422.1 Sv “of het hoger beroep is…

Zaakgegevens

Op 12 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 maart 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
11/01914 P
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ3624
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. Artt. 422 en 416.2 Sv. Nu onder de vraag van art. 422.1 Sv “of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt” mede moet worden begrepen het in art. 416.2 beschreven geval, volgt uit art. 422 Sv dat de beraadslaging in h.b. bij de beoordeling van die vraag niet mede behoeft te geschieden n.a.v. het onderzoek ttz. in e.a.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 12 maart 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ3624

  2. Conclusie A-G · 12 maart 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ3624

Uitspraak

12 maart 2013

Strafkamer

nr. S 11/01914 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 november 2010, nummer 23/003344-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 422, tweede lid, Sv niet heeft doen blijken mede te hebben beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

2.2. Het Hof heeft de betrokkene bij arrest van 5 november 2010 met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De bestreden uitspraak houdt in:

"Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 juni 2010 en 5 november 2010."

2.3. Art. 416, dat ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv te dezen toepasselijk is, luidt, voor zover hier van belang:

"2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

Art. 422 Sv luidt:

"1. Na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep stelt het gerechtshof naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vast of de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is alsmede of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.

2. Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de artikelen 348 en 350, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast."

2.4. Nu onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv "of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt" mede moet worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval, volgt uit art. 422 Sv dat de beraadslaging in hoger beroep bij de beoordeling van die vraag niet mede behoeft te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

2.5. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is dus tevergeefs voorgesteld.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 12 maart 2013.