Strafrecht overig

HR: art. 80a RO. Conclusie AG: anders.

Zaakgegevens

Op 10 maart 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 maart 2015
Datum publicatie
20 mei 2015
Zaaknummer
14/02659
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:1265
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 80a RO. Conclusie AG: anders.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2013

    ECLI:NL:GHAMS:2013:3387
  2. Conclusie A-G · 17 februari 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:614
  3. Hoge Raad · 10 maart 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:1265

    Niet ontvankelijk · Conclusie contrair

Uitspraak

Inhoudsopgave

10 maart 2015

Strafkamer

nr. 14/02659

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2013, nummer 23/004957-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam om deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te laten berechten en afdoen.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2015.