Strafrecht overig
1. Mishandeling. Art. 300 Sr. 2. Vordering b.p., kosten rechtsbijstand, wettelijke rente. Ad 1. De juistheid…
ECLI:NL:HR:2015:3572 · Hoge Raad · 15 december 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2015-3572
Zaakgegevens
Op 15 december 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 december 2015
- Datum publicatie
- 15 december 2015
- Zaaknummer
- 15/00739
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:3572
Samenvatting
1. Mishandeling. Art. 300 Sr. 2. Vordering b.p., kosten rechtsbijstand, wettelijke rente. Ad 1. De juistheid van de bewijsklacht kan in het midden blijven, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring zou vervallen. Verdachte heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling. Ad 2. Het hof heeft de kosten van rechtsbijstand van de b.p. ten onrechte vermeerderd met de wettelijke rente alsmede t.z.v. die kosten en rente de svm a.b.i. art. 36f Sr opgelegd. HR doet, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, wat het Hof had behoren te doen.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:5016Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 november 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2392Hoge Raad · 15 december 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:3572
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
15 december 2015
Strafkamer
nr. S 15/00739
AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 november 2014, nummer 23/001930-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de toegewezen vordering van de benadeelde partij, tot splitsing van het door het Hof toegekende bedrag aan materiële schadevergoeding en tot verwijzing van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
1. "op 8 januari 2014 te Amsterdam opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het rukken/duwen van voornoemde [betrokkene], tengevolge waarvan voornoemde [betrokkene] ten val kwam en meermalen met kracht tegen de ribben schoppen/trappen van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
2. "op 8 januari 2014 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon (merk Samsung) toebehorende aan [betrokkene] heeft vernield en onbruikbaar gemaakt door voornoemde telefoon met kracht op de grond te gooien en door voornoemde telefoon van de grond op te pakken en gedeeltelijk door midden te breken."
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 7 is weergegeven.
Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als
1. "mishandeling" en 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken". De verdachte is te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het middel stelt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld door haar te rukken/duwen ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen. De juistheid van deze stelling kan in het midden blijven. Want ook al zou het middel gegrond zijn, dan zou zulks bij gebrek aan belang niet tot cassatie behoeven te leiden, aangezien de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring zou vervallen. Daarom heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3 Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt onder meer dat het Hof de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij ten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente alsmede ter zake van die kosten en rente de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr heeft opgelegd.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 26 tot en met 28 is de klacht gegrond. De Hoge Raad, zal met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding voor zover deze betreft "kosten rechtsbijstand";
verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 143,- ter zake van rechtsbijstand, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.959,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, van een bedrag van € 1.959,03, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis;
bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2015.